Oud-prijswinnaars

Sir Grahame Clark

1990

Het thema van de Erasmusprijs in 1990 was Archeologie, met name de Prehistorie, en werd toegekend aan Sir Grahame Clark.
Grahame Clark (1907-1995) was zijn gehele professionele carrière verbonden aan de universiteit van Cambridge. Hij heeft een aantal invloedrijke overzichtswerken geschreven over verschillende prehistorische perioden en gebieden, waarbij hij in de loop der jaren kwam tot het begrip ‘World Prehistory’ (World Prehistory – An Outline). Hij stond aan de basis van het theoretisch-archeologisch denken, dat in de jaren 1960 grote invloed kreeg in de archeologische wereld. Ook de opgravingen van Professor Clark, met name de Mesolithische vindplaats Star Carr, zijn exemplarisch in het gebruik van verschillende hulpwetenschappen. Van groot belang is zijn onderzoek in de Fenlands van East Anglia. Van 1935 tot 1970 was hij hoofdredacteur van de Proceedings of the Prehistoric Society. Professor Clark kreeg de Erasmusprijs omdat hij in theorie en praktijk al vroeg dwarsverbanden legde tussen de historische, antropologische en biologische wetenschappen. Hij kan gezien worden als een pionier in de studie van de economische aspecten van prehistorische samenlevingen met zijn boek Prehistoric Europe – the Economic Basis. Door zijn toegankelijke publicaties heeft hij een groot publiek bereikt.

Grahame Clark heeft bij de Prehistoric Society een fonds gesticht voor een jaarlijkse prijs en in 1992 is een medaille ingesteld bij de British Academy als waardering voor een uitzonderlijke prestatie in een recente bijdrage aan de prehistorische archeologie.

Gronden van Verlening

Gezien artikel 2 der statuten van de Stichting Praemium Erasmianum, betreffende de jaarlijkse toekenning van één of meer geldprijzen als onderscheiding voor personen of instellingen, die een voor Europa bijzonder belangrijke bijdrage op cultureel, sociaal of sociaal-wetenschappelijk terrein hebben geleverd, bekrachtigde Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Bernhard der Nederlanden het besluit van het bestuur het Praemium Erasmianum 1990 toe te kennen aan Grahame Clark.

De Erasmusprijs 1990 voor Prehistorie wordt toegekend aan Grahame Clark

  • omdat hij het interdisciplinaire karakter van de prehistorie al vroeg heeft onderkend en in theorie en praktijk dwarsverbanden heeft gelegd tussen de historische, antropologische en biologische wetenschappen;
     
  • omdat hij beschouwd kan worden als een pionier in de studie van de economische aspecten van prehistorische samenlevingen, hetgeen heeft bijgedragen tot fundamenteel nieuwe inzichten, die ook voor de moderne samenleving van betekenis zijn;
     
  • omdat hij in zijn publicaties heeft aangetoond zowel de meest gedetailleerde analyses te kunnen uitvoeren, alsook in staat te zijn hoofdlijnen uit te zetten en die aan een groot publiek duidelijk te maken;
     
  • omdat hij in Cambridge door zijn indringende en inspirerende werkwijze een wetenschappelijke school heeft doen ontstaan die zijn invloed doet gelden in de gehele wereld.

Laudatio

De vraag wat de mens is, hoe hij is ontstaan, waar hij vandaan komt en waar hij naar toe gaat heeft reeds de vroegste beschavingen bezig gehouden. Ook vele Erasmusprijswinnaars hebben zich hierover het hoofd gebroken; ik denk aan die filosofen, theologen, antropologen en psychologen die wij onder onze laureaten tellen.

De vraag waar de mens vandaan komt en wat hem doet verschillen van de dieren ligt ook ten grondslag aan uw werk, professor Clark.

In tegenstelling echter tot alle vorige laureaten die zich met die vraag bezighielden, komt u als prehistoricus tot deze vraag via de meest nuchtere en vaak ogenschijnlijk zo simpele vondsten, die u als archeoloog doet. Uitgaand van de nauwkeurige bestudering, rangschikking en vergelijking van archeologische gegevens zoals vuurstenen, vuistbijlen, stuifmeelresten, grondsporen of scherven - of welke minieme sporen uit het verre verleden dan ook - hebt u aangetoond dat er meer is dan louter verzamelen.

Door de juiste vragen te stellen aan het gevonden materiaal en gebruik makend van de moderne natuurwetenschappelijke technieken hebt u conclusies getrokken ten aanzien van biologische, ecologische, sociale, economische en antropologische aspecten.

Reeds vroeg hebt u het interdisciplinaire karakter van uw vak onderkend en hebt u dwarsverbanden gelegd tussen disciplines die in het begin van deze eeuw nog ver van elkaar stonden. Waar de historicus zich op zijn hoogst met de laatste 5000 jaren van de menselijke ontwikkeling bezighoudt, beslaat uw werkterrein enkele miljoenen jaren. Hoewel de laatste twee eeuwen meer met de mens en zijn omgeving is gebeurd dan in de laatste 50.000 jaar en in de laatste 50.000 jaar weer meer dan in de afgelopen 500.000 jaar hebt u duidelijk gemaakt dat er nauwelijks een belangrijker gebeurtenis denkbaar is dan het moment, waarop de mens zich door de ontwikkeling van 'cultuur'is gaan onderscheiden van de primaten en alle andere dieren. In de voortdurende culturele ontwikkeling en ontplooiing sedert dat moment - eerst heel langzaam, maar vervolgens steeds sneller - vormen twee revoluties, de Neolithische en de Industriële de meest markante caesuren.

Bij de overgang naar de periode, die wij het Neolithicum noemen, deed de mens de stap van gebruiker van hetgeen de natuur opleverde naar die van voedselproducent met een vaste woonplaats en contrôle over plant en dier. Enerzijds werd zo de basis gelegd voor de steeds meer complexe samenlevingen met een grote mate van diversiteit, creativiteit en culturele rijkdom. Anderzijds is het ook het begin van de ongebreidelde bevolkingsgroei, grootschalige armoede voor velen, honger, epidemieën, oorlog en vervuiling. Het is de grote uitdaging van deze tjd om de positieve verworvenheden aan te wenden ter beheersing en uitbanning van alle ongewilde en onvoorziene negatieve neveneffecten van onze culturele ontplooing, zoals onze laureaat in 1987, Alexander King, al tientallen jaren geleden zag. Deze verandering had tot gevolg dat de samenlevingen complexer werden, de diversiteit, creativiteit en socialisatie toenamen, waardoor tenslotte het materieel welzijn groeide.

Een van de kernvragen waar u zich mee bezighoudt is de vraag wat de vroegste hominiden rond 500.000- 250.000 jaar geleden onderscheidde van de primaten. "Wij danken onze identiteit als menselijke wezens", zo schreef u, "aan het feit dat wij, in tegenstelling tot de dieren, tot gemeenschappen behoren die door gezamenlijke normen en waarden gevormd worden." Uw interesse is zich gaan concentreren op de inventiviteit en adaptieve capaciteiten van de vroegste mensen, op de verschillende cultuurpatronen, ieder met hun eigen waarde.

Uw enorm wijde onderzoeksterrein blijkt uit uw studie van de bio-archeologie naast die van de economie, waarbij de vraag gesteld wordt hoe de mens wist te overleven en zich aan te passen aan verschillende ecosystemen. In uw sociaal archeologische studies wijst u er op dat wij niet met individuen te maken hebben, maar met gemeenschappen van mensen met hun eigen stratificatie en organisatie, en hun relaties tot elkaar en de natuur.

U hebt erop gewezen dat in de loop van de laatste twee tot drie miljoen jaren de meest elementaire biologische funkties als eten, wonen, paren, opvoeden, vechten en doodgaan voorgeschreven werden door het feit dat men behoorde tot een historisch en plaatselijk bepaalde culterele groep, waar gedragspatronen bepaald werden door specifieke normen en waarden.

Dit is het essentiële verschil tussen de mens en de dieren. De mens wordt in zijn gedrag bepaald veeleer door historische dan door louter aangeboren, biologisch bepaalde eigenschappen: "Het delen van gemeenschappelijke tradities maakt ons bewust van een gemeenschappelijk verleden. Wij volgen overgeleverde culturele patronen, omdat we tot gemeenschappen behoren die historisch bepaald zijn: we zijn vrij om veranderingen aan te brengen met als gevolg een verbazingwekkende verscheidenheid aan culturele patronen".

De prehistoricus is bij uitstek geschikt om deze diversiteit in de mens te onderkennen, zoals u in uw vele publicaties gedaan hebt. Met behulp van uw kennis van de vergelijkende ethnologie en de sociale antropologie bent u tot de conclusie gekomen dat -geheel anders dan dat bij de dieren het geval is - het hele proces van vermenselijking gebaseerd is op de ontwikkeling van verschillende tradities die de culturele diversiteit ten gevolge heeft gehad. Juist die verscheidenheid en sociale ongelijkheid zijn de sleutelfactoren tot het ontstaan van karakteristieke culturen. Rivaliteit en naijver zijn hierbij de belangrijkste prikkels van de mens en dat zijn ze nog steeds. Anders dan bij de dieren is bij de mens juist het specifieke relevant en niet het algemene. In uw studie van de vroegste en meest primitieve artefacten hebt u aangetoond dat - anders dan wij zouden denken - louter praktisch nut niet de uiteindelijke drijfveer is geweest voor de vorm waarin ze tot ons gekomen zijn.

In uw essay Symbols of excellence schrijft u dat de meest verfijnde artefacten - of dat nu schelpen uit het Palaeolithicum zijn of ivoor, amber, jade, goud of edelstenen uit latere perioden - niet als gebruiksvoorwerpen of wapens werden gemaakt, maar bestemd waren voor de voorouderverering en later ook voor opluistering van de mens zelf; dus niet om te voldoen aan materiële verlangens maar om waardesystemen te benadrukken in het licht van religie en politiek. Daarbij is echter tevens de gave om zich te onderscheiden een essentiëel element om te overleven gebleken, want wie de meest verfijnde wapens, gereedschappen of medicijnen weet te maken heeft de meeste kans te overleven; wij zien dat dagelijks om ons heen. Aldus is het gevoel voor kwaliteit en het esthetisch bewustzijn, die in de vroegste sporen van de Homo sapiens terug te vinden zijn, niet alleen de prikkel tot de culturele ontwikkeling van de mens ook de kern van zijn menszijn.

Nu de gehele wereld door de industriële technologie beheersd wordt en nu de overeenkomsten tussen de volkeren groter lijken te worden dat de verschillen, kan men zich afvragen hoe men de homogeniserende en nivellerende tendenzen kan verenigen met de diversiteit aan menselijke waarden en normen. Betekent het niet dat, wanneer het proces van gelijk- schakeling zich voortzet, de diversiteit aan culturele patronen vernietigt worden en daarmee uiteindelijk de menselijke waardigheid?

Gelukkig blijft u echter positief omdat u meent, zoals ik begrepen heb, dat de grotere ontplooingsmogelijkheden slechts de rivaliteit en de hang naar succes bevorderd hebben, terwijl de professionalisering en specialisering in de moderne wereld de varieteit en diversiteit van de mens eerder doen groeien dan afnemen. Uit deze boeiende vragen die u in uw publicaties stelt blijkt het wijde terrein dat u met uw vak in verband weet te brengen.

Ik kan mij voorstellen hoe gefascineerd uw studenten naar uw colleges luisterden. In Cambridge hebt u door uw inspirerende werkwijze een wetenschappelijke school doen ontstaan die zijn invloed in de gehele wereld doet gelden. Met uw talloze publicaties, waaronder drie boeken die nota bene het laatste jaar verschenen, hebt u de wetenschap in hoge mate verrijkt. Daarnaast hebt u ook het grote publiek doordrongen van de betekenis van de inzichten van de prehistorie voor de moderne samenleving. Uit al uw activiteiten blijkt echter bovenal uw grote liefde en interesse voor de mens. Dit doet u met ere scharen in de rij van Erasmusprijswinnaars, want zoals een collega van u eens opmerkte: "to be human is not to be everyman, it is to be a particular kind of man" en dat bent u!

Met deze woorden wil ik u de Erasmusprijs 1990 overhandigen.

Biografie

John Grahame Douglas Clark (1907 - 1995) studeerde in Cambridge waar hij zijn gehele carrière opbouwde. Begonnen als assistant-lecturer in Archaeology - onderbroken door W.O. II, waarin hij bij de R.A.F. aangesteld was voor de Air Intelligence and Air History (luchtfoto-interpretatie) - werd hij University lecturer en al spoedig Disney Professor of Archaeology and Ethnology. Zijn verkiezing tot Master van Peter House, het oudste college in Cambridge mag als een hoge erkenning van zijn capaciteiten worden beschouwd. Grahame Clark deed al vroeg van zich spreken door twee overzichtswerken. In 1932 kwam The Mesolithic Age in Britain uit, waarop in 1935 The Mesolithic Settlement of Northern Europe volgde. Hiervan verscheen in 1975 een herziene druk. In 1935 werd hij de eerste editor van de Proceedings of the Prehistoric Society, een functie die hij 35 jaar zou vervullen. De 'Proceedings' zijn onder Clark's leiding uitgegroeid tot een internationaal hoog gewaardeerde periodiek, waarin behalve artikelen betrekking hebbend op het Verenigd Koninkrijk ook verhandelingen over het Europese vasteland en buiteneuropese onderwerpen zijn opgenomen. De behoefte om grote lijnen te trekken blijkt voorts uit zijn in 1940 uitgekomen Prehistoric England (tweede druk 1962). In 1939 was reeds verschenen Archaeology and Society (tweede druk 1957). Met dit boek legde Clark de basis voor de aandacht voor het theoretisch-archeologisch denken, waar de indrukwekkende reeks 'New Directions in Archaeology' uitgegeven door zijn instituut in Cambridge uit is voortgekomen.

Ook aan de basis van het vak, in het veldwerk, heeft Clark zijn sporen verdiend. Daarbij richtte hij zich eerst op de landstreek rond Cambridge, East Anglia, waar hij o.a. bij Peacock's Farm aantoonde van welk belang archeologisch onderzoek van de Fenlands is. Zijn interesse voor het mesolithicum leidde tot het doen van opgravingen te Starr Carr, Yorkshire, die exemplarisch zijn door zijn wijze van gebruik maken van alle denkbare hulpwetenschappen voor de archeologie. Voor de publicatie van dit onderzoek in 1954 vervaardigde hij zelf de tekeningen.

Van grote invloed op het denken over de prehistorische archeologie tot ver buiten Engeland is stellig Clark's boek Prehistoric Europe - the Economic Basis uit 1952 geweest. Hierin wees hij nadrukkelijk de weg naar het toepassen van ethnografische informatie. Het boek werd zelfs in het Russisch en Pools vertaald. In 1959 verschijnt The Prehistory of Southern Africa, in 1961 gevolgd door World Prehistory - An Outline (herdrukt in 1962, herzien in 1977). Met Stuart Pigott schreef Clark Prehistoric Societies (1965), een overzicht van de Europese prehistorie, dat hogelijk gewaardeerd wordt. Aspects of Prehistory (Berkeley 1970) is de neerslag van zijn aldaar gehouden colleges. Clark is lang actief gebleven, getuige zijn The Identity of Man as seen by an Archaeologist uit 1982 en Symbols of Excellence; Precious Materials as Expression of Status uit 1986.

Grahame Clark kan worden beschouwd als een prehistorisch archeoloog die zijn vak van de meest gedetailleerde analyse tot het hoogste niveau van synthese op uitnemende wijze heeft beoefend. Daarbij heeft hij de ecologie en de antropologie in hoge mate betrokken. Clark heeft niet geaarzeld zijn visie te geven op de ontwikkelingen in de prehistorie van Europa en de gehele wereld. Zijn economische invalshoek moet als een gezonde basis voor de prehistorische archeologie gezien worden.

Hoe groot de invloed van Clark op de Europese archeologie is geweest, laat zich moeilijk in getallen uitdrukken. Vast staat echter dat men één of meer van zijn werken aan zal treffen op de literatuurlijst van iedere student in de prehistorie van Europa.

Grahame Clark

In 1990 werd de Erasmusprijs toegekend aan Sir Grahame Clark op het gebied van de Prehistorie.