Oud-prijswinnaars

Ian Buruma

2008

Ian Buruma werd in 1951 geboren in Den Haag als kind van een Nederlandse vader en een Britse moeder. Hij studeerde Chinese literatuur in Leiden en daarna Japanse film in Tokio. Daar werkte hij als documentaire filmmaker en fotograaf. Van 1983 tot 1986 was hij cultureel redacteur van de Far Eastern Economic Review in Hong Kong en later redacteur buitenland van de Spectator. Hij was voorzitter van het Humanities Center van de Central European University (Boedapest) en is bestuurslid van het Einstein Forum (Potsdam) en Human Rights in China (New York). Sinds 2003 is Buruma Henry R. Luce Professor of Democracy, Human Rights and Journalism aan Bard College te New York. Zijn journalistiek/wetenschappelijk werk uit de jaren 1980 heeft betrekking op Japan en het Verre Oosten. Dit onderwerp heeft hij niet verlaten, maar hij heeft zich allengs ruimer georiënteerd op mensenrechten en humanistische waarden in het algemeen. Hij schrijft regelmatig voor de New York Review of Books over een breed scala van onderwerpen. Ian Buruma is een typisch voorbeeld van ‘de nieuwe kosmopoliet’, het thema van het 50ste jubileumjaar van de Stichting Praemium Erasmianum in 2008; iemand die met kennis, betrokkenheid maar ook met distantie reflecteert over de maatschappelijke ontwikkelingen in de gehele wereld.

Gronden van Verlening

Artikel 2 van de Statuten van de Stichting Praemium Erasmianum luidt als volgt:
“Het doel van de Stichting is, binnen de context van de culturele tradities van Europa in het algemeen en het gedachtegoed van Erasmus in het bijzonder, de geestes- en maatschappijwetenschappen en de kunsten te bevorderen en de positie van deze gebieden in de maatschappij te versterken. De nadruk ligt hierbij op tolerantie, cultureel pluralisme en ondogmatisch, kritisch denken. De Stichting streeft ernaar dit doel te bereiken door het toekennen van prijzen en op andere manieren; een geldprijs wordt toegekend aan een persoon of instelling onder de naam Erasmusprijs.”

In overeenstemming met dit artikel heeft het bestuur van de Stichting Praemium Erasmianum besloten om de Erasmusprijs voor het jaar 2008 toe te kennen aan Ian Buruma.
De Prijs wordt hem toegekend op de volgende gronden:

  • Met zijn essays in toonaangevende internationale bladen levert hij een scherp en verhelderend commentaar op ontwikkelingen in politiek, kunst en samenleving.
  • De wijze waarop hij zijn kennis van het Verre Oosten en zijn visie op de samenlevingen in Japan en China overbrengt, zowel in essay als in boekvorm, prikkelt de belangstelling en opent de ogen van een breed lezerspubliek voor een grotere wereld dan de Europese of Amerikaanse.
  • Buruma combineert in zijn stijl schijnbaar moeiteloos scherpe analyse, subtiele ironie, zowel identificatie als distantie, en een grote eruditie.
  • Rode lijn in de opvattingen van Buruma zijn de waardering van het publieke debat, het onderstrepen van het belang van democratische instellingen, de afwijzing van ideologieën en het benadrukken van de individuele verantwoordelijkheid.
  • Het oeuvre van Buruma wordt gevoed door een fascinatie voor de wereld aan gene zijde van de burgerlijke bekrompenheid en door ondogmatisch, kritisch denken.

Laudatio

Dames en heren,

De Erasmusprijs bestaat vijftig jaar. Al die jaren is de toekenning en uitreiking weer een belangrijk evenement. Een halve eeuw Erasmusprijs is dan ook een goede reden om een ogenblik stil te staan bij de geschiedenis van deze onderscheiding. Bij de oprichting in 1958 hadden mijn grootvader en de andere betrokkenen het ideaal voor ogen van een nieuw Europa en een nieuw Europees burgerschap. De Erasmusprijs was dan ook bedoeld als een middel om personen publiek te bekronen voor hun verdienste voor een verenigd Europa. De culturele pendant van de Nobel Prijs. Europa is in die vijftig jaar niet stil blijven staan. Wij hebben nu te maken met de Europese Unie, waarin meer landen verenigd zijn dan men in 1958 had kunnen vermoeden. De achtergrond en het doel van de Erasmusprijs zijn gaande deze ontwikkelingen mee veranderd. Het Europese aspect is nog steeds de basis, maar de politieke motivering heeft geleidelijk aan plaats gemaakt voor een algemeen culturele en academische. De Erasmiaanse waarden van on-dogmatisch kritisch denken en tolerantie zijn steeds belangrijker geworden en vormen de belangrijkste motivatie voor de keuze van de laureaten.

Kijken wij naar de lijst van meer dan zeventig prijswinnaars van de afgelopen vijftig jaar, dan krijgen wij een mooi beeld van de indrukwekkende persoonlijkheden die hebben bijgedragen aan de Europese cultuur. Creatief, hooggeleerd, eigenzinnig, en oorspronkelijk. Zij geven een idee van de humanistische waarden die de Stichting Praemium Erasmianum nu vijftig jaar lang in het vaandel draagt. Er is een kleurrijke en voorname traditie gegroeid met de prijs. De Erasmusprijs draagt bij aan de uitstraling en de invloed van het werk van die mensen aan wie de prijs ten deel is gevallen.

Het kan u niet ontgaan, zeker u hier in Rotterdam: de naam van een van Nederlands’ beroemdste geleerden wordt gekoesterd en omarmd. Stichtingen, Europese uitwisselingsprogramma’s, universiteiten, scholen, bruggen, en straten dragen zijn naam. Wat Erasmus daar zelf van dacht weten we ongeveer. Hij had het niet zo op uiterlijk vertoon en spektakel. Erasmus tooide zich weliswaar met de naam Roterodamus, uit Rotterdam afkomstig, maar nam zelf afstand tot zijn geboortegrond met de opmerking dat een land niet ijdel mag zijn in de trots op een van zijn zonen, als die door eigen prestatie groot is geworden. ‘Wat is dwazer ... dan in het brons op de markt te staan’, aldus Erasmus in de Lof der Zotheid. Uitgerekend die Erasmus heeft u hier op de markt gezet. Ook over ’s-Hertogenbosch, waar hij enige tijd de Latijnse school volgde, was Erasmus kritisch, met name over de sfeer en de kwaliteit van het onderwijs.
Erasmus heeft in vele steden gewerkt, waaronder Bazel, Brussel, Londen, Leuven, Freiburg. Als Erasmus het burgerschap van Zürich wordt aangeboden weigert hij dat met het argument dat iedere stad zich kan aantrekken: ik wil een wereldburger zijn die zich overal thuis voelt, of liever nog, zonder enige binding. Ubi bene, ibi patria was zijn motto, waar het goed is, is mijn vaderland. Voor Erasmus betekende dat de plaats waar zijn boeken stonden. Erasmus was kosmopoliet, wereldburger in de wereld van de zestiende eeuw. Een wereld, waarin de grenzen moeilijker te overbruggen waren dan nu, waarin de afstanden groter waren, de kennis van elkaars leven en geschiedenis kleiner, en waarin vliegtuig en mobiele telefoon niet bestonden. Een wereld, kortom, die slecht te vergelijken is met die van nu. En toch hebben we het opnieuw - of nog steeds? - over kosmopolitisme, wereldburgerschap.

Het ‘nieuwe’ kosmopolitisme, zoals je dat zou kunnen noemen, vindt zijn uitdrukking in economische betrekkingen zonder belemmeringen, in internationale handel, in veelvuldig reisgedrag, in gemeenschappelijke culturele producties, in culturele instituties als universiteiten, orkesten en sportteams, en in de wereldwijde aandacht voor mensenrechten als gemeenschappelijk criterium voor een ‘decent society’. Interculturele persoonlijke betrekkingen en identiteiten zijn daarmee een vanzelfsprekend gegeven in de moderne wereld.

Dit lijkt inderdaad zo vanzelfsprekend. Maar het ideaal is niet zonder problemen. Door het thema van de Nieuwe Kosmopoliet centraal te stellen vraagt de Stichting Praemium Erasmianum aandacht voor het spanningsveld dat bestaat tussen het morele ideaal van een grenzenloze samenleving zonder barrières van nationaliteit, religie en etnische afkomst, en de praktijk van alledag. Die wordt juist dikwijls getekend door een sterke ervaring van begrenzing, een praktijk die spanningen en oorlogen kent, veroorzaakt door ongelijke verdeling van informatie, grondstoffen en rijkdom, door verschillende sociaal-politieke systemen en tradities en door andere splijtstof die een vreedzaam samenleven van burgers belemmert. Wereldburgerschap is dan ook niet een gemakkelijk ideaal, het is de aanduiding van een attitude, een besef dat ondanks culturele en andere verschillen, het beheer van de wereld zich niet laat opsplitsen in van elkaar gescheiden deelverantwoordelijkheden. Milieuvervuiling, criminaliteit, klimaatverandering en mensenrechten zijn mondiale issues. Daarvoor is een aanpak nodig die staten en gemeenschappen overstijgt. Maar dat universele verantwoordelijkheidsgevoel moet wel ergens geworteld zijn. Anders wordt die kosmopolitische houding zo makkelijk vrijblijvend. Een lokale verankering, een ergens-thuis-horen hoeft niet strijdig te zijn met de kosmopolitische uitdaging. Deze kan zelfs een goede voedingsbodem, een hechte basis zijn voor een kosmopolitische houding.

De 21ste eeuw vraagt een meer kosmopolitische instelling van Europese burgers dan voorheen. Die blikverruiming is niet alleen economisch noodzakelijk, maar is ook cultureel verrijkend, zoals we zien in film, muziek, literatuur en eetcultuur. Nieuwsgierigheid en behoefte aan contact met andere culturen zouden in toenemende mate de drijfveren voor Europa moeten vormen, niet angst voor overvleugeling of zelfgenoegzaamheid. De Erasmiaanse waarden staan haaks op angst voor de Ander en verdragen zich slecht met overdreven nationalisme en unilateralisme. Het zijn deze humanistische waarden die ons uitgangspunt moeten zijn in de voortdurende strijd voor menselijke waardigheid.

Dames en heren, deze inleidende beschouwing is een opmaat tot de karakterisering van de Erasmusprijswinnaar van dit jaar. Een man die dit ideaal van wereldburgerschap op een bijzondere manier belichaamt, een Nederlandse intellectueel die men geregeld als columnist en essayist in buitenlandse bladen als The Guardian of The New York Review of Books kan aantreffen. Dat is Ian Buruma. Buruma heeft Chinees gestudeerd in Leiden, en film in Japan. Hij heeft gewerkt in Europa, Oost-Azië en Amerika. Zijn thematiek omvat de samenlevingen van Japan en China, film en literatuur, de verwerking van het oorlogsverleden in Japan en Duitsland, het beeld van het Westen bij zijn vijanden, en de relatie Oost-West.
Wie de ontwikkeling van Buruma overziet in de laatste vijfentwintig jaar, ziet een Hollandse student die zich vanuit een fascinatie voor het exotische van Japan heeft ontwikkeld tot de internationaal meest vooraanstaande essayist aangaande de verhouding van Oost en West. Buruma heeft zich steeds ingespannen om niet alleen informatief naar het Westen te zijn, maar ook om de waarden van een humane samenleving voor het Verre Oosten te propageren. Daarbij benadrukt hij steeds de waarde van het publieke debat, van de eigen verantwoordelijkheid en het bestaan van democratische instellingen. Hij wijst er voortdurend op dat mensen wel onderdeel van een cultuur zijn, maar dat die cultuur hen daarom nog geen levenswijze mag opleggen, noch in het Westen, noch in het Oosten. Dit is waar Buruma voor staat.

Buruma brengt zijn fascinatie over op een meesterlijke manier: ongekunsteld en zonder heel specifieke voorkennis te vereisen bij de cultureel en sociaal-politiek enigszins onderlegde lezer. Zijn eruditie en ervaring lijken vanzelfsprekend, Buruma laat de lezer daarin delen, geeft hem zinvolle en goed gedoseerde historische informatie, en maakt hem nieuwsgierig naar meer.

Zijn betoogtrant kenmerkt zich door een combinatie van kwaliteiten, zoals kritische wetenschappelijke analyse, betrokkenheid als moreel denkend mens, en het vermogen een problematiek in breed mondiaal verband te plaatsen, en daardoor van wat grotere afstand te beschouwen. Hij schrijft in een onopgesmukte en directe stijl, die de lezer als vanzelfsprekend betrekt bij het betoog, zonder doorzichtige retoriek of demonstratieve geleerdheid, en gelardeerd met wat ironie. Rustig, kritisch en scherp, dat zijn de kenmerken van zijn stijl.

Waarde heer Buruma, wij achten deze combinatie van capaciteiten zo bijzonder, wij vinden uw oeuvre en de waarden die u voorstaat van zo groot belang, dat wij die waardering graag door toekenning van de Erasmusprijs publiek willen onderstrepen. Mag ik u uitnodigen om naar voren te komen, zodat ik u kan bekronen met de versierselen van de Prijs.

Dankwoord

Majesteit, Koninklijke Hoogheden, dames en heren,

ik dank u voor deze grote eer. Het schijnt dat ik deze prijs onder andere te danken heb aan het feit dat ik doorga voor een kosmopoliet. Dit was niet altijd een etiket dat alom werd bewonderd. Dus we moeten dit waarschijnlijk zien als een teken van vooruitgang.

Koninklijke Hoogheid, wij hebben iets met elkaar gemeen: wij zijn beiden kinderen van een gemengd huwelijk. In deze zin zijn wij als kosmopolieten ter wereld gebracht. Vanaf het moment dat wij konden praten waren wij ons bewust van het feit dat mensen van verschillende nationaliteiten zich anders uitten. Mijn vader is Nederlands, mijn moeder was Brits.

Dit is op zichzelf niet iets om ons voor op de borst te kloppen; het geeft ons geen bijzondere deugd. Het is tegenwoordig zelfs heel gebruikelijk, of in ieder geval een stuk gebruikelijker dan in 1951, mijn geboortejaar. Bovendien is het noch in uw familie, noch in die van mij, ofschoon om verschillende redenen, een nieuwe of abnormale ervaring. Maar het heeft mij althans wel behept met een zekere overgevoeligheid ten opzichte van nationaliteit, en nationaal gedrag, voor zover er zoiets bestaat; ik heb een nationaliteit, de Nederlandse, maar ik sta er ook half buiten. Ik kan mij, afhankelijk van plaats en tijd, min of meer gedragen als Nederlander, en ook min of meer als Engelsman. Maar als ik mijzelf qua nationaliteit moest definiëren, dan kan ik niet om die woorden “min of meer” heen.

Alweer, dit heeft geen bijzondere merite. Kinderen uit gemengde huwelijken gedragen zich bovendien niet altijd als kosmopolieten. De Duitse Keizer Wilhelm II had een Engelse moeder. Misschien bij wijze van compensatie, deed hij zich voor als anti-kosmopoliet, als super-Duitser. Mensen die teveel nadruk leggen op hun nationaliteit komen niet zelden uit gemengde huwelijken, of de grensgebieden van grote landen. Hitler was er zo een, en ook Napoleon. Maar ook de super-Brit Winston Churchill was de zoon van een Amerikaanse moeder.

Het is nu gewoon dat monarchen zich gedragen als schoolvoorbeelden van hun nationaliteit, maar dit is een betrekkelijk modern fenomeen. Zelfs in het recente verleden waren Europese vorsten vaak buitenlanders in de landen die zij regeerden, en meestal van Duitsen bloed. Het was deel van hun aristocratische habitus om boven nationaliteit te staan. Zij hadden familieleden in heel Europa, en spraken onder elkaar gemeenschappelijke talen, meestal Frans, soms Duits. Zij voelden zich even goed thuis in een Duits Schloss, als in een Brits paleis, of een Italiaans palazzo. Het waren natuurlijke kosmopolieten, in de beperkte zin dat zij een perspectief op de wereld deelden met hun gelijken in verschillende landen.

Ook dit, Koninklijke Hoogheid, is iets dat wij met elkaar gemeen hebben. Mijn moeder kwam uit een joodse familie, ook van Duitsen bloed, en natuurlijk kosmopolitisme is iets dat veel Europese joden, door migratie en handel, deelden met de aristocratie. Ook zij hebben zich sinds de 19de eeuw dikwijls gedragen als super-patriotten (de Duits-joodse vereerders van Richard Wagner, bijvoorbeeld) om redenen die te zeer voor de hand liggen om hier verder te behandelen. Mijn overgrootvaders die uit Duitsland naar Engeland emigreerden heb ik niet gekend, maar mijn grootouders waren net als Churchill super-Britten.

De band tussen joden en aristocraten heeft een lange historie in Europa. Prinsen en hertogen vertrouwden hun joodse hofadviseurs juist omdat het buitenstaanders waren, en daarom wellicht minder geneigd om zich aan te sluiten bij lokale komplotten. En koningen en keizers waren vaak geliefd onder minderheden, omdat die minderheden werden behandeld als gelijke onderdanen, en tevens werden beschermd tegen de agressie van dominante bevolkingsgroepen. In theorie tenminste. U kent misschien de anecdote over Keizer Franz Joseph die bij een bezoek aan zijn domeinen in Galicië werd omringd door Jiddish-sprekende shtetl-joden. Toen een van zijn officieren, ongetwijfeld geërgerd door deze arme sloebers, zei dat hij geen woord van hun gebrabbel kon verstaan, zei de keizer dat hij de dorpelingen uitstekend kon begrijpen. “Wat zeggen zij dan, Majesteit?”, vroeg de officier. “Dat is tussen mij en mijn onderdanen,” sprak de keizer.

Kosmopolitisme, vooral onder de elites, kan een soort arrogantie in de hand werken, een ongeduld met mensen die een nauwere identiteit nastreven. In de naoorlogse drift om van ons allen Europeanen te maken is het nationale gevoel soms veronachtzaamd – behalve in de voetbalstadions. En dat is iets waar sommige populisten nu garen bij spinnen.

Maar een van de voordelen van een kosmopolitische blik is dat het tolerantie bevordert, dat wil zeggen, tolerantie jegens perspectieven die men zelf niet noodzakelijk kan delen. Het is nu enigszins modieus in sommige kringen om verdraagzaamheid te kritiseren, en af te doen als onverschilligheid, of, om in langue de bois te vervallen, als “moreel relativisme”, of zelfs nihilisme. Dit wordt gezegd door mensen die een lans zeggen te breken voor de Verlichting. Ik vindt dit jammerlijk, aangezien tolerantie een van de voornaamste verworvenheden is van diezelfde Verlichting.

Maar kritiek op tolerantie is niets nieuws. De liberale democratie werd in de eerste helft van de vorige eeuw vaak verguisd door illiberale intellectuelen omdat de liberale staat geen hogere waarden zou hebben, waarvoor mensen bereid zouden zijn offers te brengen, ja zelfs te sterven. Er was, zo werd gedacht, in een liberale staat, niets om in te geloven behalve materiële welvaart en comfort. Ik kan mij soms niet onttrekken aan de gedachte dat onze huidige kruisridders voor Westerse waarden tegen het zogenaamde ‘Islamofascisme’ hun vijanden heimelijk benijden. De Islamisten hebben tenminste iets om in te kunnen geloven.

Nu is het waar dat de liberale staat niet pretendeert ons de betekenis van het leven te verklaren. Iedere burger moet zijn eigen weg naar Jeruzalem vinden. Maar dit betekent dat wij verschillende keuzes, in cultuur, geloof, of politiek, moeten tolereren, ook al delen wij die keuzes niet. Onverdragelijk is alleen het gebruik van geweld om de eigen keuzes aan anderen op te dringen.

De gemeenschappelijke cultuur waarin ik nog ben opgegroeid – trots op de opstand tegen het Katholieke Spanje, bijvoorbeeld, iets dat ook niet in alle delen van Nederland onproblematisch was, of een gehechtheid aan de goede Sint – verschaft niet meer voldoende sociale lijm om onze maatschappij bij elkaar te houden. Ook de visie van Erasmus van een gemeenschappelijk Christendom is niet adequaat om de verscheidenheid van een modern Europees land te overbruggen. Of we willen of niet, een meer kosmopolitische blik is nu onontbeerlijk voor ons allen.

Dit vervult veel mensen met vrees, alsof we nu gevaar zouden lopen te vergeten wie we zijn, of dat democratie op het punt zou staan te verdwijnen. Maar ik geloof niet dat een gemeenschappelijke cultuur, laat staan een gemeenschappelijk geloof, noodzakelijk is voor het functioneren van een liberale democratie. Nodig is daarentegen wel de bereidheid om zich te houden aan de regels van het democratische spel. We moeten de wetten naleven, die worden gemaakt in het door ons gekozen parlement. We moeten elkaar leren accepteren als gelijkwaardige burgers, ongeacht wat we op ons hoofd wensen te dragen. Dit zal niet altijd gemakkelijk zijn. Maar één ding is zeker: zonder tolerantie zijn wij gedoemd tot falen.