Oud-prijswinnaars

Steven Shapin

2005

Het thema van de Erasmusprijs in 2005 was ‘Wetenschapsgeschiedenis’. De prijs werd toegekend aan zowel Simon Schaffer als Steven Shapin. Hun namen zijn onlosmakelijk verbonden met hun gezamenlijke publicatie Leviathan and the Air-pump, een baanbrekend werk op het terrein van de wetenschapsgeschiedenis. Met dit boek en in hun eigen individuele werk hebben Simon Schaffer en Steven Shapin het denken over wetenschapsgeschiedenis en diens complexe relatie tot cultuur en de maatschappij veranderd. Zij hebben aangetoond hoe wetenschap en samenleving geen op zichzelf staande entiteiten zijn, die elkaar al dan niet beïnvloeden, maar dat in de wetenschappelijke praktijken, zowel conceptueel als instrumenteel, al veel sociale vooronderstellingen zijn opgesloten. Cruciaal is de gedachte dat wetenschap gebaseerd is op vertrouwen bij het publiek. Daarom is het zo belangrijk steeds weer duidelijk te maken hoe betrouwbare kennis tot stand komt, hoe het proces werkt en wie op welke manier kunnen deelnemen aan dit proces.

Steven Shapin heeft in zijn boek The Social History of Truth laten zien dat wetenschappelijke waarheid een sociale geschiedenis heeft. Recent houdt hij zich bezig met de historische en moderne voedingsleer en de relatie tussen wetenschap en industrie. Simon Schaffer’s speciale belangstelling geldt binnen de sociale geschiedenis van de natuurwetenschappen het historisch gebruik en de receptie van instrumenten. In 2006 presenteerde hij voor de BBC de wetenschappelijke serie Light Phantastic.

Gronden van Verlening

Artikel 2 van de Statuten van de Stichting Praemium Erasmianum luidt als volgt:

Het doel van de Stichting is, binnen de context van de culturele tradities van Europa in het algemeen en het gedachtegoed van Erasmus in het bijzonder, de geestes- en maatschappijwetenschappen en de kunsten te bevorderen en de positie van deze gebieden in de maatschappij te versterken. De nadruk ligt hierbij op tolerantie, cultureel pluralisme en ondogmatisch, kritisch denken. De Stichting streeft ernaar dit doel te bereiken door het toekennen van prijzen en andere manieren; een geldprijs wordt toegekend aan een persoon of instelling onder de naam Erasmusprijs.

In overeenstemming met dit artikel heeft het bestuur van de Stichting Praemium Erasmianum besloten om de Erasmusprijs voor het jaar 2005 toe te kennen aan Simon Schaffer en Steven Shapin.

De prijs wordt toegekend aan professor Schaffer en professor Shapin op de volgende gronden:

Zij hebben, ieder afzonderlijk en tezamen, ons begrip van de geschiedenis van de Europese wetenschap sinds de zeventiende eeuw getransformeerd.

In hun analyse hebben zij fundamentele vernieuwingen in de wetenschap – zoals de opkomst van het experiment als methode van onderzoek – in verband gebracht met politieke en sociale gebeurtenissen.

Ten gevolge van hun werk, raakte de wetenschapsgeschiedenis betrokken bij discussies over wat als kennis kan gelden, voor wie en waarom, en in welke historische context.

Onderzoeksvragen, gesteld door Schaffer en Shapin, hebben bijgedragen aan de ontwikkeling van een nieuw onderzoeksgebied, waarin de historische, sociologische en filosofische studie van wetenschap en techniek met elkaar verweven raakten.

Schaffer en Shapin hebben erop gewezen dat een historische benadering cruciaal is voor ons begrip van de verbinding tussen wetenschap en samenleving. Zij hebben ons getoond hoe wetenschap een centrale rol is gaan spelen in de moderne samenleving, en hoe cruciaal publiek begrip is voor de taak van de wetenschap om haar toekomstbeloften waar te maken.

Met inzichten uit de historische studie van wetenschap hebben Simon Schaffer en Steven Shapin het academische en maatschappelijke debat over de rol van fundamentele wetenschap in onze huidige samenleving verbreed en verrijkt.

Laudatio

Uitgesproken door ZKH de Prins van Oranje 18 november 2005

‘Je kunt niet begrijpen waar Newton mee bezig is in de jaren vanaf 1660, zoals experimenteren met prisma’s en zonlicht, als je je niet realiseert dat hij geobsedeerd is door de problemen van godsdienst en god. Licht interesseert hem omdat het het principe is van goddelijkheid, of de wijze waarop schepping plaats vindt. Als je je realiseert wat de betekenis van die experimenten was voor Newton, in theologische termen, dan wordt duidelijk hoe verschillend de intellectuele omgeving was van de onze.’ (1)

 

 

Het gebied waarop in 2005 de Erasmusprijs wordt uitgereikt is omschreven als ‘Geschiedenis van de wetenschappen in relatie tot cultuur en maatschappij.’ Als in geen ander domein, worden in de wetenschappen de Europese verlichtings-idealen van vooruitgang en rationaliteit belichaamd. De wetenschappen vormen daarmee een belangrijke drager van de maatschappelijke en culturele identiteit van Europa dat zich, in de klassieke analyses van de socioloog Max Weber, van samenlevingen elders en eerdere culturen zou onderscheiden door zijn rationaliteit. Door de ontwikkeling van kennis te documenteren en daarbij het rationele en cumulatieve karakter van wetenschappelijke kennis te benadrukken, heeft de wetenschapsgeschiedenis de bijzondere plaats van de wetenschappen in cultuur en maatschappij nogmaals versterkt.
In de afgelopen decennia is de beoefening van de wetenschapsgeschiedenis echter veranderd. Van een tijdverdrijf voor wetenschapsbeoefenaren op leeftijd is het vak een eigenstandige discipline geworden, met eigen tijdschriften, eigen professionele standaarden en een eigen, nieuwe visie op het verschijnsel wetenschap.
De professionalisering van de wetenschapsgeschiedenis heeft ingrijpende inhoudelijke consequenties gehad. Waar wetenschapsontwikkeling historisch bestudeerd wordt als een bijzonder cultureel en maatschappelijk domein, worden al spoedig de enorme complexiteit en de vele gezichten van wetenschap duidelijk. In weerwil van het lange tijd gekoesterde filosofische ideaal van de eenheid van wetenschappen, is in het werk van de nieuwere generaties wetenschapshistorici de nadruk komen te liggen op de verscheidenheid van ‘stijlen van wetenschappelijk argumenteren’ en ‘paradigmas’ in de wetenschappen.
Historisch onderzoek heeft het verschil duidelijk gemaakt tussen wat wetenschapsbeoefenaren doen en wat zij zeggen te doen. Terwijl dat laatste niet zelden verwoord wordt in overgeleverde, doorgaans tamelijk eenvoudige beelden van rationaliteit, blijken in de feitelijke wetenschappelijke praktijk andere gezichtspunten en principes richtinggevend. De nieuwere wetenschapsgeschiedenis heeft de bijzondere rol van instrumenten, de organisatie van wetenschappelijke disciplines en van specifieke communicatievormen (zoals het wetenschappelijk tijdschrift en het congres) zichtbaar gemaakt.
De nadruk op wetenschap als een praktische, sociaal-cultureel en historisch gesitueerde activiteit heeft tot tal van nieuwe onderzoeksvragen geleid. Dat kan geïllustreerd worden aan de hand van de manier waarop over experimenten wordt gesproken. Terwijl eerder de kennistheoretische vraag in welke mate de resultaten van een experiment een gegeven theorie ondersteunen of weerleggen centraal stond, zijn nu praktische vragen voorop komen te staan: hoe organiseren onderzoekers in uiteenlopende disciplines hun experimentele werk, hoe weten zij dat zij resultaten verkregen hebben waarmee zij overtuigend naar buiten kunnen treden, hoe lang moeten zij hun experimenten voortzetten en op welke manieren moeten zij hun resultaten presenteren? Wat in het verleden als het simpele testen van een theorie werd gepresenteerd, blijkt nu een complexe praktische activiteit te zijn, waarin uiteenlopende sociale, materiële en literaire technieken een rol spelen. Wie experimentele wetenschap wil bedrijven moet behalve over instrumenten ook over de techniek beschikken om experimentele bevindingen als feiten te kunnen rapporteren en moet zich in sociale kringen begeven waarin op specifieke manieren over dat soort rapportages wordt gediscussieerd.
Die aandacht voor de wetenschappelijke praktijk heeft geleid tot herinterpretaties van een van de belangrijkste episodes in de wetenschapsgeschiedenis, de zogeheten ‘wetenschappelijke revolutie’ in de zeventiende eeuw. Terwijl in het verleden die revolutie primair als een nieuwe manier van (rationeel) denken en als een revolutie in methoden werd gepresenteerd, komt nu voorop te staan hoe, door de geleidelijke introductie van praktische, aanvankelijk vaak controversiële materiële, sociale en literaire, technieken, een nieuwe wetenschappelijke praktijk werd geconstitueerd waarin het mogelijk werd natuurfeiten te produceren en daarover te communiceren. Ook in de studie van andere episodes is aandacht voor de vraag hoe wetenschappen zich vanuit een bredere culturele omgeving gaandeweg als een aparte praktijk uitkristalliseert vruchtbaar gebleken.
De aandacht voor wetenschappelijke praktijken heeft er toe bijgedragen dat wetenschap in de nieuwere wetenschapsgeschiedenis niet langer als een autonome, van cultuur en maatschappij onafhankelijke activiteit wordt gezien, maar als een geheel van activiteiten dat verweven is met andere culturele en maatschappelijke activiteiten, zoals de kunsten, religie en de literatuur.

De Erasmusprijs 2005 wordt toegekend aan de twee wetenschapshistorici Steven Shapin en Simon Schaffer. Beide auteurs hebben met name door hun gemeenschappelijke boek Leviathan and the Air-pump uit 1985 ons zicht op de relatie tussen wetenschap en samenleving fundamenteel gewijzigd.
De belangrijkste reden voor de toekenning van de Erasmusprijs aan beide wetenschapshistorici is gelegen in het feit dat zij in het genoemde boek, evenals in het vervolgwerk, hebben laten zien hoe wetenschap en samenleving geen op zichzelf staande entiteiten zijn, die elkaar al dan niet beïnvloeden, maar dat in de wetenschappelijke praktijken, zowel de conceptuele als de instrumentele praktijken, al veel sociale vooronderstellingen zijn opgesloten. De samenleving is als het ware reeds ingebouwd in de wetenschappelijke begrippen die beoefenaren van de wetenschap gebruiken en zelfs in de instrumenten die zij hanteren. Dit is een inmiddels algemeen geaccepteerde stellingname geworden, al roepen de concrete toepassingen en uitwerking ook onverminderd weerstand op. Dat zoiets als wetenschappelijke waarheid een sociale geschiedenis heeft (en dus niet boven de geschiedenis staat) werd bijvoorbeeld nog hevig bediscussieerd toen Shapin zijn laatste grote boek, The Social History of Truth publiceerde. Maar tegelijk is de gedachte dat wetenschap op vertrouwen gebaseerd is en dat vertrouwen voor verschillende rangen en standen een andere betekenis heeft gehad, een vrij breed gedeelde opinie. Toekenning van de prijs aan Shapin en Schaffer is dus geen veilige keuze in die zin dat mensen worden bekroond wier werk ‘onbesproken’ is; hun werk is echter wel doorgedrongen in de main stream van de moderne wetenschapsgeschiedenis en men kan zonder twijfel zeggen dat de moderne wetenschapsgeschiedenis ondenkbaar zou zijn zonder hun vernieuwende en baanbrekende werk.

Mijne heren, U heeft beslissende vernieuwing gebracht in de historische studie van wetenschap. Uw werk wordt in brede kring beschouwd als een kentering in onze gedachten over de wetenschapsgeschiedenis door te wijzen op de ingewikkelde relatie van wetenschap tot cultuur en samenleving. U heeft ook aangetoond op welke wijze wetenschap zo’n centrale rol is gaan spelen in de moderne samenleving. U heeft laten zien wat een indrukwekkende prestatie moderne wetenschap is en hoe cruciaal zaken als begrip en vertrouwen zijn, wil de wetenschap haar beloften voor de toekomst kunnen waarmaken. Ik eindig met een citaat uit een boek van Shapin (2):

Wetenschap is een systeem van kennis, dankzij het feit dat het een systeem is van personen die vertrouwen hebben (...). De potentie van vertrouwen strekt zich uit over alle aspecten van de dagelijkse processen waarmee wetenschappelijke kennis wordt behouden en uitgebreid’.

Heren, ik vertrouw er van harte op dat de toekenning van de Erasmusprijs zal worden opgevat als een ondersteuning van die boodschap. Ik wens u van harte geluk met de prijs.



Fotografie: John Thuring

Bronnen

  • Light Fantastic. Simon Schaffer Interview. www.bbc.co.uk/pressoffice, geraadpleegd december 2004.
  • Shapin, S., 1994. A Social History of Truth. University of Chicago Press, Chicago en london, p. 417.

Biografieën

Dankwoord

Majesteit, Koninklijke Hoogheden, Excellenties, leden van het bestuur van de Erasmusprijs Stichting, vrienden en collega’s,

Ik ben een wetenschapshistoricus. Soms zeg ik dat ik een wetenschapssocioloog ben. Om een van beide te zijn, zoals Oscar Wilde gezegd zou kunnen hebben, is een ongeluk; om beide te zijn lijkt wel erg op achteloosheid. De achteloosheid is mijn eigen schuld: ik was slecht opgeleid en nooit een echt lid van een of andere wetenschappelijke discipline. Het ongeluk is interessanter: het schrijven over de geschiedenis en huidige werkelijkheid van wetenschap, zoals ik doe, is soms ongemakkelijk en niet populair. (De gebeurtenissen van vandaag zijn niet iets waaraan ik gewend ben.)
Het ongemak is natuurlijk relatief: mijn salaris wordt regelmatig overgemaakt en ik heb geluk gehad met mijn collega’s en studenten in de afgelopen jaren. Het ongemak heeft eerder te maken met het zijn van een bepaald soort historicus, of socioloog, van wetenschap.
Vele jaren geleden schreef een van de stichters van ons vakgebied dat wetenschapsgeschiedenis niet een gewoon soort geschiedenis was - en dat ook niet zou moeten zijn, omdat wetenschap niet een gewoon soort menselijke activiteit was. Wetenschap was eerder, zo zei men, de enige werkelijk progressieve vorm van menselijke activiteit, de enige werkelijk rationele cultuur. De wetenschapsgeschiedenis was een ‘geheime geschiedenis’; wetenschappelijke ontdekkingen werden gedaan door buitengewoon geniale mensen en de taak van de wetenschapshistoricus was het documenteren, verzamelen en verifiëren van deze ontdekkingen en, zoals Ecclesiasticus zei, het prijzen van beroemde mensen. Net zo min als de geschiedenis van de christelijke religie in de 19e eeuw een gewoon soort geschiedenis was, was dat de geschiedenis der wetenschap. Beide golden in hun tijd als de geschiedenis van de waarheid, en waarheid kon niet verklaard worden door het wereldse, het historisch gesitueerde en het menselijke, laat staan het al-te-menselijke.
Maar net als veel van mijn collega’s begon ik met een verschillend gevoel. Wetenschap was een bijzonder soort menselijke activiteit, maar niettemin een door en door menselijk activiteit. Dit was voor iemand als mijzelf iets heel gewoons om te denken. Voor iemand die opgroeide in de Verenigde Staten in het midden van de vorige eeuw waren de autoriteit en macht van wetenschap vanzelfsprekend - deel van de lucht die wij inademden. Wetenschap was Groot geworden; het was zowel een aanvaarde tak van de staatsmacht, van mogelijke rijkdom, als een uitdrukking van de zoektocht naar waarheid. Het onderscheid tussen wetenschap en technologie, waar de vooroorlogse generatie van wetenschappers zo op hamerde, werd onzichtbaar. Wetenschap was steeds meer een georganiseerde activiteit geworden, afhankelijk van royale geldmiddelen en een kostbaar instrumentarium. Wetenschap bedrijven was veranderd van een roeping voor een paar bevoorrechten in een baan voor velen.
Ik ben geboren in het jaar dat Los Alamos werd gebouwd. In mijn jeugd kon ik genieten van - zoals de reklameleus stelde - ‘een beter leven dankzij chemie’, en genoot niet, sterker nog, was bang, zoals zo veel Amerikanen, van de wapenwedloop en de mogelijkheid van een nucleair Armageddon. Ik kreeg een van de eerste doses van het Salk vaccin tegen polio. Ik maakte mij zorgen over de milieucrisis, maar ik was er zeker van dat als er een oplossing was, deze zou liggen in meer en betere wetenschap. Ik nam eenvoudigweg aan dat de culturele autoriteit van wetenschap voor altijd veilig was, en ik studeerde genetica en later wetenschapsgeschiedenis dankzij de National Defense Education wet, een uitvloeisel van het Amerikaanse Koude-Oorlog-antwoord op de Spoetnik en de vrees voor een tekort aan wetenschappers.
Mensen van de generatie van mijn ouders voelden de behoefte de wetenschap te beschermen tegen dreiging - uit bijgeloof, politieke bemoeienis, anti-Semitisme of uit goed- of kwaadwillige nalatigheid. Mijn generatie was misschien de eerste sinds lange tijd die er zelfs maar over kon denken om wetenschappelijke kennis en de omstandigheden waaronder deze tot stand kwam te onderwerpen aan gewoon historisch en sociologisch onderzoek. Hoe werd deze buitengewone kennis gemaakt, gehandhaafd en overgebracht? Daar gaat mijn werk over, inclusief het werk dat ik gelukkig genoeg heb kunnen doen met Simon Schaffer - zo lang geleden al, naar het lijkt. Wij wilden weten - in detail en niet als een abstract principe - hoe gewone mensen deze buitengewone kennis produceerden. Hoe zag het dagelijks werk in, bijvoorbeeld, Robert Boyle’s laboratorium eruit? Wat voor specifieke dingen moest je doen om de autoriteit van die wetenschap te waarborgen? Zoals zoveel dingen die twintig jaar geleden gebeurden, kan ik mij niet herinneren hoe Simon en ik ons boek eigenlijk schreven, maar ik kan mij levendig herinneren wat een plezier en les het voor mij was. Kwam ik met sommige vragen bij onze kortstondige samenwerking, dan kwam Simon met andere en met meer antwoorden dat ik toen, en nu, kan bevatten. Hij loofde niet mijn zotheid, maar hij was oneindig geduldig daarmee en daarvoor zal ik hem altijd dankbaar blijven.
Misschien was deze vanzelfsprekendheid van het werk dat wij samen deden en dat wij beiden, ieder op onze eigen manier, nog steeds doen, een uitdrukking en een blijvend residu van een uniek historisch moment. Het was in ieder geval het distillaat van veel dat wij leerden van onze collega’s - voor mij in het bijzonder mijn collega’s van de Universiteit van Edinburgh, David Bloor en Barry Barnes; en ook van die wetenschappers die wat wij gedaan hadden vervolgens ontzettend vonden - een soort majesteitsschennis - maar die ons niettemin inspireerden en informeerden.
Misschien is dat historische moment voorbij. Onze openbare cultuur reageert nu zowel intern als extern op bedreigingen van de integriteit van wetenschap. Wat ooit geen speciale behoefte kende tot rechtvaardiging lijkt nu voor sommigen een agressieve intellectuele en politieke verdediging nodig te hebben, terwijl andere critici wijzen op aspecten van hedendaagse wetenschap en technologie die in hun ogen onverdedigbaar zijn. Het zou binnenkort wel eens een stuk lastiger kunnen worden om over wetenschap als een normale menselijke activiteit te schrijven. Van een ding kunnen wij echter zeker zijn: waarover historici en sociologen van wetenschap in de toekomst ook schrijven, het zal de gevoeligheden van hun eigen samenleving omtrent de aard en waarden van wetenschap weerspiegelen. Deze speciale soort van wetenschapsbeoefening zal, als altijd, een daad van zelfonderzoek zijn.
De erasmiaanse en verlichte Republiek der Letteren zal nooit meer ingericht worden - onze moderne academische disciplines zijn daarvoor te ingeperkt en te vakgericht geworden. Maar er was een moment, in de jaren 1970 en ’80, vooral in Engeland, in het bijzonder in zekere pubs, cafés en goedkope restaurants met slecht eten en nog slechtere wijn, dat zij voor korte tijd weer tot leven leek te komen. Ik had het geluk daar te zijn in dat korte moment en ik ben heel gelukkig vandaag deze gelegenheid te mogen meemaken met zo veel van onze vrienden en collega’s.