Oud-prijswinnaars

Alexander King

1987

Alexander King (1909-2007), een van de oprichters van de Club van Rome in 1968, ontving de Erasmusprijs in 1987 op het gebied van ‘Technologie en Samenleving’. Zijn grote verdienste was dat hij zich in een vroeg stadium bewust was van de positieve en negatieve gevolgen van de technische vooruitgang voor de samenleving. De chemicus waarschuwde met name voor de vervuiling van de aarde. Bovendien stelde hij dat door de vooruitgang in vervoers- en communicatietechnologie de problematiek tegemoet getreden moest worden in een mondiaal kader. Als hoge ambtenaar in Groot-Brittannië was hij in verschillende functies werkzaam op het gebied van wetenschapspolitiek. Hier beperkte hij zich niet tot de bètawetenschappen, maar betrok hij uitdrukkelijk ook de economie en gedragswetenschappen bij zijn beleid. Als directeur-generaal van de OESO in Parijs liet King de geïndustrialiseerde wereld de noodzaak zien van het inpassen van een wetenschaps- en technologiebeleid als onderdeel van de publieke verantwoordelijkheid. Hij stelde de Science Policy Surveys in, kritische overzichten van de stand van zaken van wetenschap en techniek. Zijn stimulerende initiatieven richtten zich ook op nieuwe vormen in onderwijs. Na zijn pensionering bij de OESO in 1974 richtte hij zich op de activiteiten van de Club van Rome, waarvan hij in 1984 president werd. Ondanks de grote uitdagingen waar de mensheid zich voor gesteld ziet, bleef King er altijd van overtuigd dat veel van de problemen opgelost zouden kunnen worden. Maar tegelijkertijd benadrukte hij dat vooruitgang niet tot elke prijs moet worden nagestreefd.

Alexander King heeft het geld van zijn Erasmusprijs bestemd voor projecten van de Club van Rome.

Gronden van Verlening

Gezien artikel 2 van de statuten van de Stichting Praemium Erasmianum betreffende de jaarlijkse toekenning van één of meer geldprijzen als onderscheiding voor personen of instellingen die een voor Europa belangrijke bijdrage op cultureel, sociaal-wetenschappelijk terrein hebben geleverd, bekrachtigde Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Bernhard der Nederlanden het besluit van het bestuur het Praemium Erasmianum 1987 toe te kennen aan Alexander King.

De Erasmusprijs 1987 wordt toegekend aan Alexander King

omdat hij de regeringen van geïndustrialiseerde landen de noodzaak heeft doen zien van het inpassen van wetenschaps- en technologie-politiek als een essentieel onderdeel van publieke verantwoordelijkheid;

omdat hij verscheidene studies heeft laten verrichten op het terein van de sterk gegroeide invloed van wetenschap en techniek op de samenleving en de zogenaamde 'Science Policy Surveys' heeft ingesteld, kritische overzichten van de stand van zaken wat betreft wetenschap en techniek in de OESO-lidstaten;

omdat hij op een moment dat het grote publiek en de politici zich nauwelijks bewust waren van problemen, initiatieven heeft genomen om de mensen bewust te maken van de snel groeiende noodzaak vervuiling te bestrijden;

omdat hij in een vroeg stadium heeft benadrukt dat in een wereld, kleiner geworden door de vooruitgang in vervoers- en communicatie-technologie, problemen niet langer gezien kunnen worden in het geïsoleerde kader van een aparte natie, maar dat deze bestudeerd dienen te worden in het kader van de gehele wereld;

omdat hij een der belangrijkste auctores intellectuales was van de problematiek zoals naar voren gebracht door de Club van Rome, daarbij benadrukkend dat vooruitgang niet tot elke prijs nagestreefd moet worden.

Laudatio

Majesteit, Koninklijke Hoogheden, Excellenties, Dames en Heren

Zolang de mens bestaat heeft hij gezocht naar een allesbeheersend en algemeen geldend beginsel en heeft hij uiting gegeven aan een verlangen de wereld als een eenheid te zien. Oosterse en westerse mystici hebben al eeuwen geleden deze gedachte onder woorden gebracht. Van oudsher wezen filosofen ons op de eenheid van al het bestaan en op de samenhang tussen alles wat verband houdt met de natuur, de mens en het denken. Zelden echter hebben hun gedachten weerklank gevonden in de politiek of in het sociale gedrag van de mens.
Wanneer wij ons de situatie realiseren waarin de wereld zich thans bevindt en wanneer wij beseffen hoezeer wij leven in een wereld van onderlinge afhankelijkheid, dan worden wij ons bewust van de dwingende noodzaak een samenhangend model van de wereld en het bestaan te creëren om daarmee tenslotte tot een holistische kijk op het leven en de wereld te komen. Het is de grote verdienste van onze laureaat dat hij, niet zozeer uit een mystieke achtergrond maar uit rationeleoverwegingen ons erop wijst dat 'de gehele wereld één is en dat het slechts de blindheid van de mens is die maakt dat hij die essentiële eenheid niet kan zien'. Want, is het niet typerend voor onze tijd dat wij voor het eerst letterlijk in staat zijn de aarde in zijn geheel te beschouwen, zoals blijkt uit het programme dat U allen ontvangen heeft.
Alexander King wijst ons er op dat nu het moment is gekomen voor een totale ommekeer in ons denken en voor een synthetische wereldbeschouwing gezien de alarmerende problemen waarvoor de moderne wereld zich gesteld ziet, zoals - om U enkele te noemen: - de onzekere financiële wereldsituatie waarin zich opstapelende nationale schulden steeds duidelijker worden; - het dode punt waarop de Noord-Zuid dialoog zich bevindt, waardoor onder andere de kloof tussen arme en rijke landen steeds groter wordt; - het onvermogen om de wapenwedloop in te tomen en de enorme bedragen die vooral ook ontwikkelingslanden hieraan uitgeven, hoewel thans hoop op verbetering lijkt te bestaan; - de uitputting van sommige grondstoffen; - de voordurende achteruitgang van onze omgeving, waaronder het oprukken van de woestijnen en ontbossing, iets waar ik dagelijks mee te maken heb in mijn functie als Oprichter/President van het Wereld Natuur Fonds. Deze lijst is niet compleet. De problematiek wordt beheerst door steeds sneller groeiende veranderingen. Door de complexiteit wordt onze onzekerheid bovendien steeds groter en gaan wij steeds meer het onvermogen van politici en instellingen zien om aan al deze problemen het hoofd te bieden. Vaak hebt U erop gewezen dat de regeringsmachinerie buitengewoon slecht uitgerust is om de huidige complexiteit aan te pakken, omdat de bestuurstructuren bestaan uit verticaal opgebouwde departementen. Daarbij komt dat het ambtenarenapparaat getraind is om stabiliteit en continuiteit te garanderen en niet om veranderingen voor te bereiden. Daarom wijst U politici er voortdurend op dat wij te maken hebben met een ingewikkeld complex van elkaar onderling beïnvloedende problemen die daardoor niet apart aangepakt kunnen worden en waar het verticaal gestructureerde regeringsapparaat, hoe machtig ook, betrekkelijk machteloos tegenover staat. Politieke acties alleen zijn niet voldoende, evenmin als de pogingen van de econoom, de ingenieur, de wetenschapper of de socioloog alleen. Zo'n andere aanpak is echter moeilijk te verwezenlijken in onze huidige democratische systemen die gebaseerd zijn op parlementaire of presidentiële cycli van vijf jaar of minder. Hierdoor worden zowel de regering als de oppositie gedwongen tot korte-termijn kosmetische maatregelen ten koste van meer fundamentele, maar verder in het verschiet liggende problemen. Totalitaire regimes kennen dit probleem niet, maar hebben daarentegen te kampen met een immobiel ambtenarenapparaat. 'Tengevolge hiervan hebben nationale beleidsmakers een afnemende mate van vrijheid om hun binnenlandse problemen aan te pakken en hoewel het schip der souvereiniteit lek is, gaan de politieke leiders voort alsof iedere natie de volledige beheersing zou hebben over zijn eigen zaken', zo schreef U eens.
Het is met name een illusie te denken dat nieuwe inzichten in de natuurwetenschappen of nieuwe technische ontwikkelingen aan de grenzen kunnen worden tegengehouden. Daarom was het zo belangrijk dat U de regeringen van de OECD-lidstaten als het ware dwong systematische aandacht aan wetenschap en technologie te besteden om hun bevolkingen voor te bereiden op alle veranderingen die zich op niet te stuiten wijze aankondigen. Wat wij nodig hebben is een gelijktijdige aanval. Dat vereist een nieuwe economische orde die het gevolg is van beter begrip op grond van een verlicht humanisme, omdat de huidige problemen uitstijgen boven ideologieën. Het zou Erasmus, de naamgever van deze prijs, goed doen te horen dat het nodig is onze humaniteit te hervinden, wars van totalitaire heilsboodschappen, sociale utopieën of nationalistische gevoelens.
Met niet-aflatende energie, gedreven door Uw enthousiasme en grote realiteitszin, wijst U regeringen erop dat meer serieuze aandacht gegeven moet worden aan lange-termijn en vaak meer fundamentele problemen. En Uw energie kent inderdaad geen grenzen. Kenmerkend is dat U als jongen reeds alleen per fiets langs de Noordkaap trok en U per kano de Donau afvoer - even later leidde U een expeditie naar de Jan Mayen eilanden; ik heb begrepen dat U morgenochtend vroeg naar de Verenigde Staten vertrekt om een vergadering in Atlanta voor te zitten.U maakt ons duidelijk dat de tijd nu rijp is voor een herwaardering van de wereldorde en een onderzoek naar alternatieve benaderingen die gebaseerd zijn op onderling afhankelijkheid en zelfstandigheid. Voordat wij onszelf vernietigen moeten wij op tijd onze eigen toekomst scheppen. In de mens die de evolutie nu zelf in handen heeft, zal een ommekeer plaats moeten vinden zoals nog nooit in de geschiedenis heeft plaatsgevonden.
In het licht van bovenstaande is het duidelijk dat zowel in onderwijs en onderzoek een fundamentele verandering van de bovenstaande wetenschappen nodig is, willen zij voldoende doordringen in en inwerken op de evolutie van menselijke kennis. Ook onze universiteiten en research-instituten zijn nog voornamelijk mono-disciplinair. In Uw belangrijkste publicatie 'Science and Policy' uit 1974 en in het zogenaamde Brooks rapport uit 1971 dat handelt over 'Science, Growth and Society' en waarvan u de initiator was, wordt gewezen op het belang vaa een nationaal wetenschapsbeleid waar binnen een sociaal kader, zowel fundamenteel onderzoek kan worden uitgevoerd als ook technologische ontwikkeling kan worden bevorderd. Dat wetenschapsbeleid nu een internationale zorg wordt, zien wij steeds duidelijker. Binnen de OESO hebt U veel gedaan om regeringen te overtuigen wetenschap, onderwijs en onderzoek tot een gezamenlijke zorg te maken. Vooral tijdens de Tweede Wereldoorlog toen U hebt behoord tot de door Churchill opgezette denktank is U gebleken dat wetenschap een belangrijke vernieuwer kan zijn, meer dan een dienaar van conventionele technologie. Toen al bleek het belang van internationaal onderzoek: de jetmotor, the korte-golf radar, peniciline, DDT, and het concept van nucleaire energie zijn ontwikkeld op basis van Europees onderzoek. Wetenschap en technologie zijn nog belangrijker geworden, omdat de wereld door deze nieuwe mogelijkheden thans een nieuwe technische revolutie doormaakt die waarschijnlijk een grotere invloed op de samenleving zal hebben dan de industriá‰ále revolutie in de vorige eeuw. Ontwikkelingen op het terrein van de biochemie, Uw oorspronkelijke vakgebied, micro-electronica en nieuwe materialen zullen onze nabije toekomst bepalen. Van een industriële samenleving gaan wij naar een samenleving in essentie gebaseerd op informatie. Onze informatie-maatschappij komt naar voren als het resultaat van de wisselwerking van wetenschappelijke, technologische, economische, sociale en culturele krachten en dus niet louter als gevolg van een technische ontwikkeling. Vele paralellen ervaart onze samenleving met wat de biochemici ontdekken in de genetische informatie-overdracht met DNA dat gebleken is een uitzonderlijk medium voor informatie-overdracht te zijn. Ook dit alles zal tenslotte onderlingen afhankelijkheid van individuen en staten in hoge mate vergroten, omdat vooruitgang in wetenschap en technologie niet stopt bij nationale grenzen.
Maar, laten wij met U hopen, Dr. King, dat deze ontwikkeling niet een versterking van het bureaucratische en onpersoonlijke beeld van de dienstensector van vandaag zal betekenen, maar kwalitatieve in plaats van kwantitatieve groei die creatieve activiteiten aanmoedigt. Zoals al even aangestipt, hebben Uw stimulerende initiatieven zich ook bewogen op het terrein van nieuwe vormen in onderwijs. Onze universiteiten moeten tot maximale creativiteit en vernieuwing aanzetten om de mensen de huidige wereldtrends en de complexiteit van het heden duidelijk te maken en alternatieven te laten vinden. U pleit daarbij voor een verbetering van de status van de leraar op alle niveaus omdat U diens beroep de hoogste prioriteit wilt geven.
Uit bovenstaande moge duidelijk zijn hoe groot Uw eigen voorstellend vermogen is en hoe visionair Uw visie is waaraan U een onverstoorbaar vertrouwen in de creativiteit en het adaptievermogen van de mens en de uiteindelijke triomf van het Goede paart. Onder de vele organisaties waaraan U Uw bijdrage hebt geleverd, zijn het vooral de OESO, waarin U directeurªgeneraal wetenschapsbeleid was, de International Federation for Advanced Study, waarvan U van 1974 tot 1984 voorzitter was en de Club van Rome, waarvan U sinds 1984 president bent, waaraan U Uw beste krachten gegeven hebt. Aldus bent U een animator en stimulator van ideeá‰án die in staat is een samenvattende aanpak van problemen te presenteren en verbindingen en lijnen te zien die naar de toekomst wijzen. Een vijftiental jaren geleden leefden wij nog in een tijd van analyse, nu bereiken wij de tijd van synthese. Complexiteit betekende vroeger onwetendheid; dat wij nu een beter inzicht in deze complexiteit hebben is grotendeels aan U te danken. U bent erin geslaagd, binnen internationale organisaties, regeringen op één lijn te krijgen en een begin van mentaliteitsverandering te bewerkstelligen waar ook ter wereld. U gaf concrete wegen aan om na filosofie en analyse handelend op te treden. In dit kader is het verheugend te vernemen dat Gorbatchov U onlangs uitnodigde om de wereld-toekomst te bespreken. Door Uw wereldwijde aanpak van problemen weet U de kloof tussen de twee culturen wetenschap en humaniora te overbruggen. Om dit te illustreren wil ik besluiten met een citaat van de filosoof en oud-laureaat Karl Jaspers waaruit blijkt dat U - van oorsprong chemicus - door Uw activiteiten geheel beantwoordt aan de doelstellingen die Jaspers aan de filosofie stelt. Ik citeer: 'Was soll die Philosophie? Sie lehrt wenigstens, sich nicht täuschen zu lassen. Keine Tatsache und keine Möglichkeit lässt sie beiseiteschieben. Sie lehrt dem wahrscheinlichen Unheil ins Angesicht zu blicken. Si stört die Ruhe in der Welt. Aber sie verwehrt auch die Unbesonnenkeit das Unheil für unausweichlich zu halten. Denn noch liegt es auch an uns, was wird. Die Philosophie könnte, wenn sie in ihrem Denken kräftig, für Menschen überzeugend und durch Menschen, aus denen sie spricht, glaubwürdig würde, ein Faktor der Rettung sein. Sie allein ist es die die Denkungsart wandeln kann'. Met deze woorden wil ik U, Dr. King, de Erasmusprijs 1987 overhandigen.

(uit Karl Jaspers, Kleine Schule des philosophischen Denkens, Vorlesungen, die Philosophie in der Welt, Serie Piper, 1974)

Dankwoord

Majesteit, Koninlijke Hoogheden, Excellenties, dames en heren

De aankondiging van de toekenning van de Erasmusprijs kwam voor mij als een complete verassing. Ik ben diep geroerd en ik zie dit als een grote stimulans voor mijn werk in de toekomst. Ik wil mijn oprechte dankbaarheid uitspreken jegens de Stichting Praemium Erasmianum en haar leiders, en wel in het bijzonder vanwege de waardering voor de manier van denken die ik poog te bevorderen en die, naar ik meen, nodig is voor de ontwikkeling van onze samenleving in de toekomst. Wat mij betreft, ik beschouw mij helemaal en wezenlijk een Europeaan. Ik ben geboren in Schotland, verhuisde naar het naburig koninkrijk Engeland, verbleef een periode voor studie in Duitsland, bestuurde de IFIAS vanuit Stockholm en nu wonen wij sinds vele jaren in Frankrijk. Daarom geloof ik dat mijn vrouw en ik, en mijn naasten, zeer zeker denken in de Europese geest van die grote Europeaan Erasmus.

Men heeft mij gesuggereerd van deze gelegenheid gebruik te maken om iets te zeggen over mijn eigen algemene conclusies over mijn loopbaan, over de maatschappij en zo U wilt, over het leven in het algemeen. Dit is onmogelijk in de korte tijd die mij ter beschikking staat, maar ik zal een paar woorden zeggen.
Natuurlijk wordt onze huidige samenleving beheerst door technologie. De gevolgen van de industrieële revolutie tweehonderd jaar geleden zijn zelfs nu nog niet helemaal verwerkt. Desondanks bevinden wij ons, zoals Prins Bernhard aangaf, middenin een tweede revolutie op weg naar de informatie-maatschappij, hetgeen vermoedelijk nog grotere veranderingen teweeg zal brengen in de aard van de samenleving en in de manier waarop ieder van ons zal leven in de toekomst.Wetenschap en technologie bepalen in hoge mate, vaak onbewust, onze ervaring en gedachten. Zij bestaan naast de rijke en diepgewortelde tradities van het Europese verleden. Deze twee aspecten zijn echter geenszins met elkaar in evenwicht. De tegenstelling is groot en soms zelfs botsen zij. Zelfs het economisch systeem dat zo zwaar leunt op technologie heeft dit nog niet helemaal leren aanvaarden. Veel economen gaan er in hun denkwijze nog steeds vanuit dat nieuwe technologieën in essentie ontstaan in antwoord op de wisselwerking van economische krachten, als het ware als één der spieren van Adam Smith's onzichtbare hand. Hier zit natuurlijk een kern van waarheid in, maar nieuwe technologie ontstaat in veel gevallen als gevolg van uitvindingen in laboratoria die niet voorzien konden worden en die de richting waarin de maatschappij gaat, veranderen.Nu hebben de technologische successen de materialistische gerichtheid van onze samenleving bijzonder vergroot. Zoals Dennis Gabor, Nobelprijswinnaar, uitvinder van de holografie en lid van de Club van Rome eens opmerkte: 'Onze huidige samenleving is materieel gebaseerd op een enorm succesvolle technologie en geestelijk op practisch niets'. Iedere stap in de technologische vooruitgang, vanaf het gebruik van de eerste vuurstenen gereedschappen tot de intercontinentale raketten heeft iets toegevoegd aan de fysieke mogelijkheden van de mens. Dit geldt zowel voor zijn strijd om zijn natuurlijke omgeving te verbeteren, als - dat is duidelijk - voor de onderwerping van zijn vijanden.

De tragedie van de wetenschap is dat zij zo weinig gedaan heeft om de andere aspecten van het menselijk bestaan te verrijken. Het is een dwingende noodzaak om de technologische ontwikkelingen nu zodanig te beheersen dat een bijdrage kan worden geleverd aan het algemeen welzijn van alle mensen, en om te proberen een tegenwicht te vinden tegen de materiële vooruitgang door het bevorderen van sociale, morele, artistieke en geestelijke verworvenheden. De nieuwe technologieën bijvoorbeeld zullen door automatisering en dergelijke het werk-ethos uithollen en de hoeveelheid vrije tijd voor iedereen aanzienlijk vergroten. Maar zal deze ontwikkeling in het leven van de meesten slechts een vacuüm met zich meebrengen, een verveling gevuld met mechanisch amusement en al dat soort onbenulligheden? Of kan zij gebruikt worden om constructieve vervulling en ontwikkeling van het individu te bewerkstelligen? In de volgende decennia zullen wij vele kruispunten bereiken waarop beslissingen genomen moeten worden zoals degene waarop ik net heb gewezen.
De relatie tussen wetenschap en regeringen ontwikkelde zich langzaam. Hoewel vele regeringen van het begin van de eeuw af laboratoria hadden ondersteund voor speciale sectoren, werden wetenschap en technologie pas in de vroege jaren '60 gezien in strategische en politieke termen. Het idee van wetenschapsbeleid, voor een groot deel ontwikkeld op grond van ons werk in de OESO, werd in het begin met enige achterdocht bekeken. Ik herinner mij dat, toen wij voor het eerst het plan van de OESO lanceerden om een bijeenkomst van wetenschapsministers te beleggen, de Nederlandse minister van Onderwijs naar Parijs kwam om de toenmalige Secretaris-Generaal over te halen de vergadering af te lasten. Hij redeneerde dat wetenschap, zo deze al politieke consequenties had, een gering onderdeel van cultuurbeleid was en dat bespreking ervan in een economische context een soort prostitutie was. Sindsdien is er veel veranderd. Niettemin moet er nog veel gedaan worden en moet wetenschap op strategisch niveau in een breder kader bekeken worden dan in samenhang met technologie alleen.

Vandaag echter zijn wij geïnteresseerd in de bredere problematiek, dat wil zeggen de invloed van technologie op het wereldsysteem. De ernstigste van de hedendaagse problemen zijn mondiaal van aard en kunnen niet, zoals ik al geciteerd werd, opgelost worden door individuele landen afzonderlijk.Deze kleine planeet wordt gedeeld door meer dan 170 zelfstandige landen die elk de onschendbaarheid van hun nationale soevereiniteit verkondigen en die pretenderen meester te zijn over hun eigen toekomst. Arnold Toynbee zei het zo: 'De cultus van de soevereiniteit is de belangrijkste religie van de mensheid. Haar God vraagt menselijke offers.' En toch is de realiteit van soevereiniteit meer denkbeeldig, naarmate het land kleiner en armer is. De verspreiding van technologie, het groeiende mondiale karakter van de economie, de internationale transacties van de multinationals, de ontelbare multi-laterale overeenkomsten, deze en andere factoren zorgen voor een feitelijke uitholling van de soevereiniteit.
In een situatie zoals geschetst en tegenover snelle veranderingen, groeiende complexiteit en onzekerheid, blijken de bestaande instellingen, zowel nationaal als internationaal, jammerlijk ontoereikend te zijn. De structuren van regeringen, ontworpen voor vroegere, simpeler tijden kunnen de huidige uitdagingen niet aan. Er is behoefte aan een radicale verandering en dit geldt ook voor vele andere soorten instellingen, inclusief ondernemingen, en misschien wel het meest voor het onderwijssysteem. Perestroïka mag niet het monopolie van de Sovjet-Unie blijven. Maar structurele veranderingen en vernieuwingen betekenen geenszins de volledige oplossing, zij moeten vergezeld gaan van nieuwe opvattingen in de politiek en het openbare leven. Gezien tegen de achtergrond van dreiging en belofte in de huidige situatie, lijken veel van de politieke capriolen treurig en absurd: de selectie van leiders op grond van de mate van charisma die zij op de televisie uitstralen, of de veroordeling van politici wegens aarzelen en onbetrouwbaarheid, als zij blijken hun mening te kunnen wijzigen, terwijl eigenlijk juist het vermogen dit te doen met het oog op veranderende situaties een teken van staatsmanschap zou moeten zijn. Nogmaals, confrontatie en wederzijdse scheldpartijen tussen partijwoordvoerders en parlementen lijken de parlementaire gang van zaken in veel landen te beheersen, terwijl in het nationaal belang een streven naar eendracht juist gewenst zou zijn.

Ik ben van mening dat ieder individu in drie verschillende maar tegelijkertijd verbonden sferen leeft en dat een projectie van dit idee beschrijft hoe de samenleving werkt. Ten eerste het externe milieu van de planeet, dan de interne wereld van het individu, afgeschermd en verborgen, en ergens daartussenin met beide verbonden, is er het sociale toneel waar individuen reageren en gezamenlijk actie ondernemen voor veiligheid, voorspoed en voldoening.Wij hoeven hier niet veel te zeggen over de problemen van het externe milieu. Deze zijn talrijk en moeilijk op te lossen, en dat zal nog erger worden wanneer de groei van de wereldbevolking en de rijkdom per hoofd van de bevolking toenemen, waardoor de menselijke activiteiten en dus de vraag naar materialen en energie worden vergroot. Ik schat dat gedurende mijn leven de totale menselijke activiteit twintig tot veertig maal is vermenigvuldigd, hetgeen gedeeltelijk komt door de bevolkingsaanwas maar ook door de verhoogde consumptie van ieder van ten gevolge van voorspoed en economische groei. Dit heeft natuurlijk een sterk toenemende invloed op de kwetsbare biosferen. Maar ik ben ervan overtuigd dat fundamentele problemen zowel van het individu als van de verzameling individuen die wij de samenleving noemen, diep geworteld zijn in de menselijke natuur. Egoïsme, of de levenskracht zoals de Victorianen het plachten te noemen, verschaft de drang tot overleven, succes hebben en uitblinken; het is de stuwende kracht achter vernieuwing en vooruitgang. Maar het manifesteert zich ook in zelfzuchtig en asociaal gedrag, wreedheid, het verlangen naar macht, macht over anderen en uitbuiting. De strijd tussen de positieve en negatieve aspecten van egoïsme is het eeuwige drama van Faust. Eeuwenlang werden individuen in het gareel gehouden en werden hun negatieve karaktertrekken in toom gehouden door de hoop op het Paradijs en de vrees voor de Hel. Maar met het verlies van geloof in religie en, sterker nog, in politieke structuren en instellingen, zijn de remmen losgeslagen. Minderheden weigeren de beslissingen van de meerderheid te accepteren; er is geen ontzag voor wetten en er bestaat een groeiend terrorisme. Deze kenmerken, overgeplaatst naar het niveau van de collectiviteit, spelen zich af in de sociale sfeer. Nationaal egoïsme kan zich voordoen als gewenste vaderlandsliefde of kan worden opgeblazen tot chauvinisme, vreemdelingenhaat, haat tegen andere landen en tenslotte oorlog. Deze zaken worden zelden geaccepteerd en als dat al het geval is, blijven zij over het algemeen verhuld in een taboe. De lage effectiviteit van Marxistische economieën,bijvoorbeeld, lijkt voor een groot deel voort te komen uit een naïef geloof in de menselijke natuur, uit een veronderstelling dat de mensen bereid zijn zonder persoonlijke impulsen hun beste krachten te geven aan de landbouw, industrie en elders; niet realistisch.
Als deze diagnose ook maar enigszins correct is, dan lijkt het erop dat wij, naast de traditionele benaderingen positieve stappen moeten zetten - individueel, nationaal en internationaal - op weg naar het vaststellen en het uitbreiden van de terreinen van algemeen eigenbelang, waarbij wij de realiteit van egoïsme, de begrenzingen en mogelijkheden, in het oog moeten houden. Levend op de rand van de nucleaire afgrond, in een wereld met een explosieve bevolkingsaanwas, ecologische bedreiging en middenin een nieuwe technologische revolutie, lijkt het van levensbelang de situatie opnieuw te bezien in elk van onze drie parallelle sferen. Behoud van het externe milieu waarin ons biologisch bestaan is geworteld, eist dat ons egoïsme zich niet beperkt tot onze eigen tijd van leven, maar dat het zich uistrekt tot die van onze kinderen en kleinkinderen, waarmee wij ons kunnen vereenzelvigen. Daarom moeten wij ernaar streven, zelfzuchtig desnoods, omstandigheden te creëren die een behoorlijk en menselijk bestaan voor toekomstige generaties mogelijk maken. Dit vereist niet alleen matiging, maar ook een veel dieper begrip van de werking van fysische en sociale systemen en een groter bewustzijn van de gevaren en mogelijkheden. Dit vraagt om zowel kennis van het innerlijk, als van de buitenwereld. De mens wordt vaak beschouwd als een microcosmos van het totaal van alle dingen. In de sfeer van menselijke activiteit wil ik de opvatting om de samenleving te beschouwen als de verzameling van alle individuen, liever veranderen in de overtuiging dat fundamentele hervorming van het bestaan van samenlevingen en naties alleen bereikt kan worden door morele en sociale ontwikkeling van het individu om zo een constructief en evenwichtig gebruik te kunnen maken van de kracht van het egoïsme. Vertaald in godsdienstig idioom wordt deze fundamentele behoefte wellicht het best uitgedrukt door de middeleeuwse christelijke mysticus Angelus Silesius die schreef: 'Ik moet Maria zijn en zelf het leven geven aan God'. Het lijkt mij dat in laatste instantie werkelijke vooruitgang van het ras van binnenuit moet komen. Alleen door een bewuste beschaving binnen onze eigen privé-sferen, kan een samenleving van integriteit, harmonie en sociale gelijkheid ontstaan. Dank U.

Biografie

Alexander King werd geboren in Glasgow in 1909, studeerde aan de Highgate School en het Royal College of Science te Londen en verrichtte daarna post-doctoraal onderzoek aan de universiteit van München. Na het behalen van zijn graad aan de universiteit van Londen en het diploma van het Imperial College werd hij eerste demonstrator en later wetenschappelijk medewerker fysische chemie aan dit zelfde College (1932-1941). Gedurende deze periode was hij leider van een wetenschappelijke expeditie naar Jan Mayen eiland in de Poolzee, een onderzoek waaraan de Gill Memorial Prize van de Royal Geographical Society werd toegekend.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd Alexander King plaatsvervangend Wetenschappelijk Adviseur van de Minister van Productie, en later Hoofd van de Britse Wetenschappelijke  Missie te Washington alsmede Wetenschappelijk Adviseur bij de Britse Ambassade. In deze functie was hij verantwoordelijk voor de uitwisseling van informatie en ervaring tussen het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten met betrekking tot een breed scala van wetenschappelijke toepassingen varierend van penicilline tot de atoombom. In deze periode was hij verbonden aan het bureau van de Britse Hoge Commissaris te Ottawa, Canada. In 1945 kreeg hij de U.S. Medal of Freedom met zilveren palmen.
In de jaren direct na de oorlog bekleedde hij verschillende posten in de administratief-wetenschappelijke sector: Hoofd van het Wetenschappelijk Secretariaat van het Kabinet, Londen; Hoofd Wetenschap belast met informatie en overzees industrieel onderzoek; Voorzitter van het comité voor productiviteit en toegepast onderzoek van de Organisatie voor Europese Economische Samenwerking, Parijs en President van de Internationale Federatie van Documentatie te Den Haag. In 1958 werd Alexander King Directeur van het bureau Wetenschappelijk en Technisch Personeel van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Onderzoek (OESO) te Parijs. In 1961 werd hij Directeur Wetenschappelijke Zaken en Onderwijs en van 1966 tot 1974 was hij Algemeen Directeur Wetenschappen bij deze organisatie. In 1968 was hij mede-oprichter van de Club van Rome.
Na zijn pensionering bij de OESO was Alexander King tot 1984 Voorzitter van het bestuur van de Internationale Federatie van Instituten van Voortgezet Onderzoek te Stockholm en van de Stichting voor Internationale Training voor Derde Wereldlanden in Toronto. Gast-hoogleraarschappen vervulde hij aan de Brandeis-universiteit, Massachusetts en aan de universiteit van Montreal. In 1979 was hij mede-organizator van de Conference of the Scientific Community over 'Wetenschap en technologie voor Ontwikkeling' die gehouden werd te Singapore en van 1981 af was hij Voorzitter van de adviesraad voor Global Programmes van het Verenigde Naties Ontwikkelings Programma in New York.Na de dood van Aurelio Peccei in 1984 werd Alexander King gekozen tot President van de Club van Rome.
Dr. King had eredoctoraten van de Universiteiten van Ierland, Guelph (Canada), Strathclyde en de Open Universiteit en was lid van verscheidene wetenschappelijke academies. Alexander King overleed in 2007.

De Club van Rome

Alexander King, een van de oprichters van de Club van Rome in 1968, ontving de Erasmusprijs in 1987.