Oud-prijswinnaars

William Mcneill

1996

Het gebied van de Erasmusprijs 1996 betrof het snijpunt van geschiedenis en sociologie. De sociale wetenschappen zijn een steeds grotere rol gaan spelen in de onderbouwing van ons geschiedbeeld ten koste van de zuiver politieke geschiedenis. De keuze voor de Amerikaanse geleerde William McNeill (1917) was gebaseerd op het feit dat hij met zijn studies op het gebied van de wereldgeschiedenis pionierswerk heeft verricht. Zijn werk geeft een verbreding van het historisch perspectief in ruimte en tijd waarbij nieuwe impulsen gegeven worden zowel aan de geschiedenis als de sociale wetenschappen. Daarbij is hij in staat zeer veelomvattende problemen aan de orde te stellen zonder concessies te doen aan wetenschappelijke accuratesse. Hij heeft laten zien dat een wereldhistorisch perspectief nieuw licht kan werpen op episodes uit de geschiedenis van afzonderlijke landen en continenten doordat het grotere verbanden laat zien. Hierdoor kan een beter begrip ontstaan van zorgwekkende verschijnselen in de samenleving zoals epidemieën, etnische conflicten en milieuvervuiling. Zijn belangrijkste werk is The Rise of the West, A History of the Human Community, waarin hij uiteenzet dat het contact tussen de verschillende beschavingen de drijfveer is achter historische ontwikkelingen. De begrippen ‘groep’ en ‘interactie’ spelen een fundamentele rol. McNeill past dit principe toe op de rol van oorlog en bewapening (The Pursuit of Power), epidemieën (Plagues and People) en etniciteit en pluralisme (Polyethnicity and National Unity in World History). Andere belangrijke werken zijn Keeping together in Time: Dance and Drill in Human History, Human Web, A Bird’s Eye View of the World History en een biografie Arnold Toynbee, A Life.

Professor McNeill heeft de helft van het prijsgeld toegekend aan Andrew Sherratt van het Ashmolean Museum in Oxford ter ondersteuning van zijn werk Global Change: An Archaeological Perspective on World History. De andere helft was bestemd voor Professor dr Johan Goudsblom en Dr Fred Spier (Universiteit van Amsterdam) voor hun wereldhistorisch onderzoek.

Gronden van Verlening

Gezien artikel 2 der statuten van de Stichting Praemium Erasmianum, betreffende de jaarlijkse toekenning van één of meer geldprijzen als onderscheiding voor personen of instellingen, die een voor Europa bijzonder belangrijke bijdrage op cultu reel, sociaal of sociaal-wetenschappelijk terrein hebben geleverd, bekrachtigde Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Bernhard der Nederlanden het besluit van het bestuur het Praemium Erasmianum 1996 toe te kennen aan William Hardy McNeill. De Erasmusprijs wordt toegekend aan William McNeill

  • omdat hij met zijn studies op het terrein van de wereldgeschiedenis pionierswerk heeft verricht en getoond heeft dat de verbreding van het historisch perspectief in ruimte en tijd nieuwe impulsen kan geven zowel aan de wetenschap van de geschiedenis als aan de sociale wetenschappen;
     
  • omdat hij heeft gedemonstreerd dat het mogelijk is in historisch onderzoek belangrijke en zeer veelomvattende problemen aan de orde te stellen en algemene inzichten te formuleren zonder concessies te doen aan de wetenschappelijke zorgvuldigheid en accuratesse;
     
  • omdat hij heeft aangetoond dat een wereldhistorisch perspectief nieuw licht kan werpen op episodes uit de geschiedenis van afzonderlijke landen en continenten, doordat het attendeert op grotere verbanden en structurele overeenkomsten;
     
  • omdat hij heeft laten zien dat een wereldhistorisch perspectief juist nu onmisbaar is voor een beter begrip van zorgwekkende verschijnselen in de samenleving, zoals internationale migratiebewegingen, verspreiding van ziektes, etnische conflicten en milieuvervuiling;
     
  • omdat hij het terrein van de wereldgeschiedenis niet alleen heeft opengelegd voor verder onderzoek door vakgenoten, maar mede door zijn heldere stijl ook interesse heeft gewekt bij een groter publiek;
     
  • omdat hij de plaats van Europa in de wereldgeschiedenis duidelijk heeft aangegeven zonder daarbij te vervallen in hetzij Europa-centrisme, hetzij in een te sterke relativering van de rol van Europa;

Laudatio

door Zijne Koninklijke Hoogheid de Prins van Oranje

Wegens ziekte is mijn grootvader Prins Bernhard helaas niet in staat om vandaag zelf zijn toespraak te houden. Ik ben vereerd dat hij mij heeft gevraagd om in zijn plaats te spreken, en als onlangs afgestudeerd historicus doet het me veel genoegen om het woord tot u te kunnen richten, professor McNeill.

Ik herinner mij nog heel goed dat ik (mijn grootvader) als jongen een globe op mijn kamer had. Bij het bekijken van deze bol besefte ik dat het oppervlak van de wereld geen centrum heeft. Toen mij veel later een satellietfoto onder ogen kwam van de aarde, werd ik mij er van bewust dat voor de mensheid een nieuwe periode was aangebroken. De wereld, die ik als kind als globe had gezien, was voor het eerst in zijn totaliteit in het echt te zien. De mens kon nu van buitenaf zijn eigen wereld bekijken. Natuurlijk worden de begrippen wereld en mensheid al heel lang gebruikt; maar hoe anders was de inhoud.

Op de prachtige marmeren vloer van de Burgerzaal in dit Paleis is de toen bekende wereld afgebeeld, zoals u op de afbeeldingen in het programmablad kunt zien. Maar deze wereld werd gezien vanuit Amsterdam, dat toen voor ons het centrum van de wereld was. Dit euro-centrisch wereldbeeld gold niet alleen voor het geografisch perspectief, maar ook voor de geschiedenis. De werkelijke wereldgeschiedenis was echter een braakliggend terrein waar serieuze historici niet naar omkeken. Er loopt een lange lijn van Voltaire's Essai sur les moeurs, via amateurs als Spengler en H.G. Wells naar een buitenbeentje als Toynbee. U, professor McNeill, bent echter de eerste vakhistoricus geweest die een belangrijk deel van zijn leven gewijd heeft aan de wereldgeschiedenis.

De publicatie van uw magnum opus The Rise of the West, met als ondertitel 'a history of the human community', was een mijlpaal in het begrip van het verleden als geheel. Uw centrale these is dat het contact tussen de verschillende beschavingen de drijfveer is achter de wereldgeschiedenis. Geschiedenis is aldus het resultaat van de wisselwerking van beschavingen. Zodra beschavingen met elkaar in aanraking komen via handel, oorlog of ontdekkingsreizen worden uitheemse cultuurelementen van de ander in de eigen cultuur opgenomen - soms tegen wil en dank, maar in ieder geval treedt er een verandering op. Zo wijst u erop dat het kompas en het buskruit - in het Oosten ontwikkeld en via lange lijnen in het Westen terechtgekomen en daar geperfectioneerd - vervolgens een essentiële rol zijn gaan spelen in de hegemonie die Europa over de wereld vestigde. Een ander mooi voorbeeld is in het Oosten de opbouw van de Japanse marine in het begin van deze eeuw, naar voorbeeld van de Engelse marine. Zo zijn er honderden voorbeelden te vinden. Een en ander sluit aan bij uw fascinerende boek The Pursuit of Power over de rol van oorlog en bewapening in de geschiedenis. Ik begrijp dat u met dit uitgangspunt voor ogen kans heeft gezien de wereldgeschiedenis op een samenhangende wijze te behandelen. Dat daarbij vooral de begrippen groep en interactie een fundamentele rol spelen komt mede door uw grote belangstelling voor en kennis van de antropologie en de sociale wetenschappen. In uw boeiende boek Plagues and Peoples plaatst u de invloed van microparasieten op de mens in een wereldhistorisch perspectief. Uit dit boek kunnen wij leren hoe enorm groot de invloed is geweest en nog is van zeer kleine ziekteverwekkers.

Als historicus bent u zich ervan bewust dat u genoodzaakt bent het historisch beeld te vereenvoudigen. Zonder vereenvoudiging zouden wij nooit enig begrip kunnen creëren. Dit betekent dat geen enkele theorie de werkelijkheid in al haar volheid kan weergeven. Wil dit zeggen, vraag ik mij af, dat wij zover moeten gaan om met Max Weber te stellen dat de historicus om de werkelijkheid te doorgronden een onwerkelijkheid moet construeren? Ik geloof van niet. Op een bewonderenswaardig heldere wijze zoekt en vindt u immers patronen en structurerende principes. Toynbee ging uit van de 'poëzie', of de filosofisch-theologische vraag wat het lot van de mensheid is in de hand van God. Anders dan uw illustere voorganger - aan wie u overigens een briljante biografie wijdde - zoekt u naar een begrijpelijke eenheid achter alle verscheidenheid van de menselijke ervaring in de geschiedenis. U richt zich op een meer rationele inductieve analyse en redenering, waarin ook uw pleidooi voor wereldgeschiedenis is vervat. Wij kunnen het ons niet veroorloven de poging om een geloofwaardig beeld van het verleden te krijgen te frustreren. Historici, meent u, moeten niet te zeer de nadruk leggen op detailonderzoek omdat daardoor het zicht op de mondiale structuur wordt belemmerd. Alleen door een theorie van sociale processen te accepteren en op grond daarvan te handelen, kunnen historici verwachten een essentieel criterium te hebben om hun de weg te wijzen in de verwarrende hoeveelheid van feiten die zich aan hen voordoen. Met deze uitspraak legt u minder sterk de nadruk op het belang van bronnenstudie in de geschiedschrijving; uw uitgangspunt ligt veel dichter bij de sociale wetenschappen. Op grond van uw breed historisch perspectief, kennis en realiteitszin bent u tevens iemand die een scherp oog heeft voor de grote problemen waarvoor de mensheid gesteld is. Zo wijst u in uw eigen land op duidelijke tekenen van onrust in de maatschappij en de economie en op het verwaarlozen van demografische gegevens. Met het oog op de wereld als geheel wijst u op het belang van geboortebeperking, multiculturalisme, op de problemen van migratie, de veronachtzaming van het milieu en het gevaar van de immense urbanisatie, die een fundamentele verandering van de menselijke samenleving ten gevolge zal hebben. Een en ander toont mede aan hoe belangrijk de studie der wereldgeschiedenis is als 'magistra vitae'. In Europa bezit het vak echter nog steeds weinig academische respectabiliteit en wordt het mondiale denken bedreigd door nationalistische tendenzen. Daarnaast vormt het verlammende, extreem relativistische denken, waarin geen consensus meer bestaat over het historisch wetenswaardige, een bedreiging.

Hoewel u zich bewust bent van de zware last van de huidige onzekere situatie, beziet u de wereld optimistisch en meent u dat wij thans leven in een "gouden eeuw van ongeëvenaarde technische, intellectuele, institutionele en wellicht artistieke creativiteit". "Wat men vol vertrouwen kan zeggen", schreef u, is dat de geschiedenis van de mensheid tot nu toe een succesverhaal is geweest!".

Dames en heren, ik moge u uitnodigen met deze gedachte voor ogen onze globe opnieuw te bezien en u te laten inspireren door het werk van Professor McNeill. Immers, "anybody can make history, only a great man can write it".

Met deze woorden van Oscar Wilde tot besluit overhandig ik u gaarne de Erasmusprijs 1996.

Dankwoord

Majesteit, Koninklijke Hoogheden, Excellenties, dames en heren

Bij deze plechtige gelegenheid ben ik zowel trots als verheugd de Erasmusprijs uit Uw handen te mogen ontvangen. Ik vraag me wel af of ik hem echt verdien. Na lang nadenken moet ik deze vraag beantwoorden met een krachtig: Misschien! En, misschien ook wel niet!

De Stichting Praemium Erasmianum heeft ongetwijfeld een opmerkelijk risico genomen om zo'n buitengewone onderscheiding aan een Amerikaan toe te kennen, wiens pogingen om wereldgeschiedenis te bestuderen alleen met enige verdraaiing kunnen worden omschreven als 'een buitengewone bijdrage aan de Europese cultuur', zoals de omschrijving van de prijs luidt. Het is een feit dat veel historici in universiteiten aan beide zijden van de Atlantische Oceaan menen dat geschiedenis op een grote schaal - het soort geschiedenis waaraan ik mij heb willen wijden - intellectueel gezien onverantwoordelijk is. Zij geloven dat dit fouten in de hand werkt omdat het te ver af staat van de primaire bronnen en de oorspronkelijke taal waarin authentiek historisch materiaal bewaard is gebleven. Vooral hierom blijft de geschiedenis van de mensheid als geheel, die zich uitstrekt over verschillende volkeren, staten en beschavingen, gespitst op signalen van die ontmoetingen met nieuwigheden die door vreemdelingen van ver werden meegebracht en die een steeds snellere mate van verandering in de lokale geschiedenis veroorzaakten - dit soort onderzoek blijft buiten de heersende stroming van de academische geschiedbeoefening in Europa en overal elders.

Toch is dit hetgene wat ik mij voorgenomen had te doen. Uiteindelijk heb ik mijzelf ervan overtuigd dat ik op het spoor gekomen was van nieuwe en belangrijke ontmoetingen en uitwisselingen in het verleden tussen de volkeren op aarde; zowel cultureel, technologisch als ook epidemiologisch. Het verschijnsel doet zich voor bij de ontdekkingen door de Europese zeevaarders uit de zestiende eeuw ten opzichte van de meeste continentale kusten op aarde; talloze veranderingen en verbeteringen moesten later worden aangebracht, maar niettemin hebben ze algemene geografische patronen geschapen, waaraan later nooit meer getornd is. Het is behoorlijk aanmatigend mijn persoonlijke ontdekking van het menselijk verleden te vergelijken met de geografische verkenningen van de zestiende-eeuwse zeevaarders. Maar als ik terecht denk enkele hoofdlijnen ontrafeld te hebben van wat er werkelijk is voorgevallen tussen onze voorouders op deze aardbol - misschien verdien ik dan toch wel de Erasmusprijs.

Aan de andere kant leiden individuele eigenaardigheden langs talloze paden die anderen niet zouden willen volgen. Voor zover ik kan nagaan, blijft het onzeker of mijn visie op de menselijke geschiedenis overeind zal blijven en zich zal verbreiden, wanneer meer gedetailleerd onderzoek bepaalde details zal bijsturen en invullen, of dat mijn visie het lot zal ondergaan van sommige vroegere wereldgeschiedenissen, die een triviale eendagsvlieg in de academische historiografie bleken te zijn.

De Stichting Praemium Erasmianum was ook nog in een ander opzicht roekeloos bij de toekenning van de prijs dit jaar. Het vak geschiedenis is tenslotte nogal verdacht bij vele sociale wetenschappers. Zij beschuldigen historici ervan dat ze soms fascinerende maar eigenlijk triviale verhalen bedenken door simpelweg 'het ene feit achter het andere te zetten'. In deze optiek krijgt geschiedenis alleen betekenis als andere disciplines - theologie, filosofie, misschien sociologie, psychologie, economie - hun principes en algemene ideeën aanwenden om de wanorde van het historisch detail tot een begrijpelijk geheel te maken. Naar mijn idee kan het academische verwijt jegens historici beter gericht worden tegen de gedachtenloze manier waarop wij met de taal omgaan en waarbij wij ons niet erg bewust zijn van haar inherente mogelijkheden en beperkingen. Het staat voor mij vast dat betekenis niet eigen is aan historische of enig ander soort feiten, maar aan de manier waarop onze geest de realiteit om ons heen organiseert. Dit doen wij namelijk als we taal gebruiken; taal is niet onderverdeeld in afzonderlijke academische disciplines, ook al trachten experts wel eens hun specialiteit te verdedigen tegen invloeden van buitenaf door het gebruik van esoterische termen. In de praktijk rangschikt de taal alles wat gebeurt door algemeen toepasbare termen te gebruiken, zelfs voor het beschrijven van de eenvoudigste gebeurtenis. Bovendien laat taal altijd dingen weg door de aandacht te vestigen op hetgeen de schrijver of spreker denkt dat er werkelijk toe deed in een gegeven situatie. Deze twee karakteristieken van de taal verklaren hoe de mens zo buitengewoon succesvol werd in de natuur. Het ordenen van ervaringen, het weglaten van onbelangrijke zaken en het concentreren van de aandacht op wat belangrijk is, is het gehele geheim van ons succes in het minimalizeren van onaangename verrassingen en het maximalizeren van het verwachte resultaat in onze persoonlijke ontmoetingen met elkaar en met de wereld om ons heen. Het voordeel van macrogeschiedenis is dat het deze karakteristieken van de menselijke communicatie volledig duidelijk maakt. Macro-historici gaan onverbiddelijk voorbij aan de meeste details in de beschikbare schriftelijke bronnen. In plaats daarvan richten zij de aandacht op grootschalige veranderingen in het leven van miljoenen en miljoenen mensen, waarvan sommige helemaal niet in de eigentijdse bronnen voorkomen. Vraag en antwoord bepalen wat de macro-historicus ontdekt in de beschikbare gegevens. Zij alleen geven betekenis aan de macrogeschiedenis. Zeker, een wereldhistoricus maakt gebruik van de geschriften van andere historici als zijn voornaamste bron, meer dan te vertrouwen op teksten die lang geleden met een heel ander doel werden opgesteld. Dit maakt wereldgeschiedenis niet minder exact of minder goed gefundeerd. Integendeel, door vragen te stellen die passen bij de geografische schaal van de menselijke interactie - een schaal die varieert met de middelen van transport en communicatie in de verschillende perioden - komen werkelijke patronen uit het verleden tevoorschijn die historici, die zich bezighouden met een enkel deel van de wereld, ontgaan. Dat komt omdat de verschillende aspecten van de werkelijkheid in het verleden tevoorschijn komen met een verandering van schaal in de historische observatie. Precies hetzelfde gebeurt met de natuur wanneer wetenschappers hun schaal van observatie en experiment verschuiven van sub-atomaire fysica naar scheikunde, van fysiologie naar ecologie of van cosmologie naar aardwetenschappen en de invloed van de mens op de biosfeer. Iedere schaal van onderzoek creëert zijn eigen landschap van wat belangrijk is. Kleiner is niet dichter bij de werkelijkheid, zoals in detail gespecialiseerde historici soms denken. Het is alleen anders. Dat komt omdat andere geschiedkundigen, die op een andere schaal werken, evenzeer afhankelijk zijn van vragen die vorm en betekenis aan hun onderzoek moeten geven. Precies herhalen wat de bronnen zeggen zou absurd zijn. Zoals geleerden voor Erasmus' tijd al wisten, is goede geschiedenis het resultaat van een proces van selectie en kritiek, waarbij uit de beschikbare bronnen informatie gekozen wordt die relevant is voor welke vraag de historicus ook stelt - niet meer en niet minder. Het proces is hetzelfde of men uitgaat van onduidelijke oude manuscripten of van recent historisch onderzoek. Nauwkeurigheid wordt niet groter naar mate de schaal kleiner wordt. In plaats daarvan hangt alles af van de scherpzinnigheid waarmee de historicus zijn bronnen gebruikt om een antwoord te vinden op vragen, die begrijpelijk kunnen maken wat er werkelijk is gebeurd. Tenminste, dat denk ik en ik hoop van harte dat uw aardige, verrassende en buitengewoon roekeloze toekenning van de Erasmusprijs aan een nogal excentrieke geschiedkundige van de andere kant van de Atlantische Oceaan het effect zal hebben dat anderen ervan overtuigd raken dat geschiedenis op een grote schaal intellectueel respectabel is, én belangwekkend én misschien zelfs nuttig in een tijd waarin de betrokkenheid van alle volkeren van de wereld in een mondiaal netwerk van uitwisseling en communicatie, duidelijker dan ooit tevoren de publieke en persoonlijke ervaring bepaalt.

Daar komt nog bij dat ik, als ontvanger van deze eer, de gelden van de Stichting mag uitdelen aan anderen die proberen de geschiedenis van de mensheid als geheel te begrijpen. Derhalve stel ik mij voor het bedrag te verdelen door de ene helft toe te kennen aan Andrew Sherratt van het Ashmolean Museum, Oxford om hem te helpen een groot verhaal te voltooien, met de voorlopige titel 'Mondiale verandering: wereldgeschiedenis in een archeologisch perspectief'. De andere helft gaat naar Professor Johan Goudsblom en dr. Fred Spier van de Universiteit van Amsterdam, opdat zij een nog grotere historische synthese mogen ontwikkelen te beginnen met de schepping van de cosmos en eindigend met de situatie van de mens en de natuur zoals wij die tegenwoordig kennen. Deze begaafde en vastbesloten onderzoekers, en velen met hen, zullen mijn eigen pogingen om het geheel van de menselijke geschiedenis begrijpelijk te maken uitbreiden en verbeteren. I wens hen succes, heel veel succes zelfs, want wanneer macrogeschiedenis ondernomen wordt door onverschrokken en energieke geesten zoals zij, zal het vak spoedig de knagende professionele argwaan te boven komen en zijn eigen plaats verdienen door steeds nauwkeuriger de grote en naive vraag te beantwoorden die iedereen als vanzelf stelt: hoe ter wereld zijn de dingen geworden zoals ze zijn?

Moge ik nogmaals U, Koninklijke Hoogheid, danken voor deze grote eer, en sta mij toe mijn welgemeende dank uit te spreken aan al diegenen die een rol hebben gespeeld in het welslagen van deze ceremonie.

Biografie

William Hardy McNeill werd geboren op 31 oktober 1917 te Vancouver. Toen hij tien jaar oud was verhuisde de familie naar de Verenigde Staten, waar zijn vader hoogleraar werd aan de Chicago Divinity School. William McNeill studeerde aan de Universiteit van Chicago, kreeg zijn B.A. in 1938 en zijn Master's een jaar later. Zijn afstudeeronderwerp was het geschiedwerk van Herodotus en Thucydides.

Tussen 1941 en 1946 diende hij in het Amerikaanse leger, tussen 1944 en 1946 als assistent militair attaché in Griekenland. Het verblijf in Griekenland resulteerde in drie uitmuntende boeken over de geschiedenis van dat land. Al vroeg hield hij zich bezig met een onderwerp dat de richting van zijn latere werk zou aangeven in zijn dissertatie over de invloed van de aardappel op Ierland, waarin hij de invloed van grotere, ecologische processen op een land, de wisselwerking tussen mens en natuur en de verstrekkende gevolgen van een eenvoudig gewas voor de loop van de geschiedenis van een gebied beschrijft.

Tijdens zijn studie onderging McNeill de invloed van de historicus Carl Becker, de cultureel antropoloog Robert Redfield en vooral Arnold Toynbee, met name diens A Study of History. Van 1950 tot 1953 verbleef McNeill te Londen als medewerker van Toynbee aan het British Institute of International Affairs. Tevens bleef hij verbonden aan de Universiteit van Chicago waar hij in 1969 hoogleraar werd.

In 1954 begon McNeill met onderzoek voor zijn wereldgeschiedenis. In tegenstelling tot Toynbee en Spengler, die de onafhankelijkheid van beschavingen en hun interne ontwikkelingen benadrukken, gaat McNeill uit van het tegenovergestelde, het contact tussen beschavingen, de uitwisseling van ideeën, de wisselwerking zowel tussen mensen als tussen de mens en de natuur. Het vernieuwende hierbij was het gebruik van denkbeelden uit de moderne culturele antropologie en de introductie daarvan in de geschiedwetenschap. Een en ander droeg in hoge mate bij tot het ontstaan van een brede visie op de ontwikkeling van de mensheid, waarbij hij patronen en structuren ondekt, die niet zonder meer in schriftelijke bronnen te vinden zijn.

McNeill kiest onderwerpen van een immense schaal, maar behandelt deze met een groot oog voor detail. Hij gaat ervan uit dat 'history deals with human groups and their interactions across time and space'. McNeill's magnum opus is The Rise of the West (1963), waarin hij de opkomst van Europa na 1500 verklaart. Plagues and Peoples (1976) schetst de veranderende verhoudingen tussen menselijke samenlevingen en microparasieten en is een baanbrekend werk voor de epidemiologie geworden. Verder dienen genoemd te worden The Shape of European History (1974), The Pursuit of Power (1982), dat handelt over processen van staat- en marktvorming in Europa, en Polyethnicity and National Unity in World History (1986), een belangrijke bijdrage aan de discussie over etniciteit en pluralisme.

Behalve vanuit het brede perspectief benadert McNeill de wereldgeschiedenis echter ook op microhistorisch niveau. Zo heeft hij onderzoek gedaan naar Colebrook, het kleine dorp in Connecticut waar hij woont. Het doel blijft echter hetzelfde: 'door niet de oceaan te beschrijven, maar een druppel in een poging een beeld te schetsen van de oceaan'. Naast de geschiedkundige werken moet vooral ook genoemd worden McNeill's biografie van zijn grote voorbeeld Arnold Toynbee.

McNeill is binnen het vak geschiedenis een relatieve eenling gebleven. Bijna overal ter wereld heeft wereldgeschiedenis ondanks, of wellicht juist dankzij, het buitengewoon interdisciplinaire karakter een betrekkelijk geïsoleerde positie. Globalisering echter is een onontkoombaar proces dat in hoog tempo ons beeld van de wereld en daarmee van het historisch proces verandert. Opvallend is dat hij zijn thema's met vooruitziende blik blijkt te hebben gekozen. Onderwerpen als mondialisering, migratie, ecologie en milieu, en adaptatie hebben nu niet alleen een grote actualiteit, maar worden als de problemen bij uitstek in de huidige samenleving onderkend.

McNeill heeft zevenentwintig boeken geschreven en talrijke artikelen, recensies en bijdragen. Zijn werk is vertaald in het Chinees, Frans, Duits, Italiaans, Noors, Spaans en Nederlands. De grote betekenis van het werk van McNeill is tenslotte dat hij een synthese bewerkstelligt tussen de sociale wetenschappen en de studie der geschiedenis.