Oud-prijswinnaars

Renzo Piano

1995

De Italiaanse architect Renzo Piano (1937) is in eerste instantie beroemd geworden door zijn ontwerp, tezamen met Richard Rogers, van het Centre Pompidou in Parijs. De Erasmusprijs is aan Renzo Piano toegekend omdat hij in zijn architectuur de techniek altijd als middel blijft zien, niet als doel. Hij weet elementen uit de locale traditie en de sociale en natuurlijke omgeving te integreren met de techniek, waardoor een humane en organische sfeer ontstaat. Dit betekent echter niet dat zijn ontwerpen geen spectaculaire vormen kunnen hebben.

Renzo Piano, geboren in een aannemersfamilie in Genua, was van jongs af geïnteresseerd in materialen en constructie. Zijn bedrijf heet niet voor niets ‘building workshop’. Hij maakt op virtuoze en inventieve manier gebruik van de modernste technieken, maar brengt deze altijd in verbinding met het aloude handwerk en zijn liefde voor detail. Zijn gebouwen zijn wonderen van licht en lichtheid. Naast het Centre Pompidou (1977) behoren tot zijn bekendste werken het reizende paviljoen voor IBM uit 1983, het Menil museum in Houston (1981-1986), het winkelcentrum Bercy (1987), het San Nicola stadion in Bari (1992), Kansai International Airport te Osaka (1988-1994), het auditorium Parco della Musica in Rome en de pelgrimskerk voor Padre Pio in San Giovanni Rotondo (2003). In Amsterdam bouwde hij het science center NEMO (1997). Renzo Piano was verantwoordelijk voor het masterplan van de herinrichting van de Potsdamer Platz in Berlijn (1992-2000). Hij heeft ook bruggen, cruiseschepen en auto’s ontworpen. Andere belangwekkende ontwerpen zijn de Shard London Bridge Skyscraper (2004) en het natuurhistorisch museum in de California Academy of Sciences in Golden Gate Park, San Francisco.

 

Gronden van Verlening

Gezien artikel 2 der statuten van de Stichting Praemium Erasmianum, betreffende de jaarlijkse toekenning van één of meer geldprijzen als onderscheiding voor personen of instellingen, die een voor Europa bijzonder belangrijke bijdrage op cultureel, sociaal of sociaal-wetenschappelijk terrein hebben geleverd, bekrachtigde Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Bernhard der Nederlanden het besluit van het bestuur het Praemium Erasmianum 1995 toe te kennen aan Renzo Piano.

De Erasmusprijs wordt toegekend aan Renzo Piano

  • omdat hij in zijn architectuur de techniek altijd als middel blijft zien en nimmer als doel;
  • omdat hij elementen uit de locale traditie, en de natuurlijke en sociale context weet te integreren met de techniek hetgeen zijn architectuur vervult met een fijnzinnige, organische en humane sfeer, waarbij hij op poëtische wijze gebruik maakt van immateriële elementen als licht, kleur, geluid, atmosfeer en ruimte.
  • omdat hij zijn virtuoos en inventief gebruik van de meest geavanceerde technische middelen en materialen in verbinding brengt met het handwerk en zijn liefde voor het detail;
  • omdat zijn architectuur van een grote flexibiliteit en diversiteit blijk geeft aangezien hij de uitzonderlijke gave heeft om zonder vooropgezette ideeën te luisteren en te communiceren.

Laudatio

Wanneer wij dit jaar een architect als prijswinnaar hebben gekozen dan veronderstelt men dat het blijkbaar zonder meer duidelijk is wat goede architectuur is. Wat is architectuur?
Een geslaagde inperking van de ruimte, het bieden van beschutting en veiligheid, het scheppen van een overzichtelijke, functionele en harmonische leefomgeving? Gaat het om het creëren van een esthetisch object of om een gebouw als machine? Dient een gebouw aan te sluiten bij de omgeving en de traditie of juist hierop een reactie te zijn? Zo kunnen wij talloze vragen stellen, waarop wij diverse antwoorden kunnen geven. Kijken wij terug in de geschiedenis dan zien wij ook dat elke tijd haar eigen opvattingen over architectuur heeft. Het probleem in onze tijd echter is dat er geen éénsluidende opvatting over architectuur meer bestaat. Onze laureaat van vandaag noemt ons "onwaardige erfgenamen van ons verleden.... We hebben kans gezien onze steden te doen verworden van centra van cultuur tot plaatsen met een cultuurlóze uitstraling. Absoluut vreselijk, ongeschikt om in te wonen. Waarom vinden wij onze oude steden zo mooi? ... Omdat zij doordrenkt zijn met cultuur, van de cultuur van de metselaar tot en met de cultuur van de architect, beiden door regels gebonden, maar tegelijkertijd vrij in hun eigen vak". Sterker nog, door de bezuinigingen, activiteiten van project-ontwikkelaars en snelle winstmakers, dreigt een architect tegenwoordig soms tot louter uitvoerder te worden die, zodra zijn werk de practische eisen overstijgt, zijn toevlucht neemt tot willekeurige improvisaties of gimmicks. Is het verwonderlijk dat een zojuist verschenen boek over hedendaagse architectuur als ondertitel draagt 'architecture in an age of nihilism'?*

Hoe stimulerend, inspirerend en verfrissend is het wanneer wij geconfronteerd worden met het werk van onze laureaat. Door de zojuist getoonde beelden hebben wij daar al een indruk van gekregen. Van jongs af aan bent u geïnteresseerd geweest in bouwplaatsen, intelligente constructies en zo licht mogelijke oplossingen. De impressies van het wisselende licht, het contrast van de oude stad en de open zee en de bollende zeilen die u voor de kust van Genua als jongen zag, zullen u uw leven lang begeleiden.

U bent geen theoreticus of filosoof, maar voor alles een ambachtsman, een intelligente constructeur en experimentator. Dogmatiek wijst u af, steeds staat u open voor nieuwe ideeën. Opvallend is dat u niet teruggrijpt op de oude Italiaanse traditie, maar veeleer uw inspiratie vindt in de vormen van de gothiek, de art nouveau en het functionalisme. Toch beschouwt u de 15-eeuwse Florentijnse architect Brunelleschi, de bouwer van de beroemde Domkoepel in Florence, als uw grote voorbeeld: de ambachtsman die alle elementen van het métier beheerst, bij wie nog geen sprake is van een scheiding tussen de intellectuele conceptie en handwerk. Geen wonder dat u al vroeg - in 1964 - bevriend raakte met Jean Prouvé, de Erasmusprijswinnaar uit 1981, die dezelfde belangstelling had en uw geestelijke vader zou worden. Het was onder anderen Prouvé die, als voorzitter van de toenmalige jury in 1971, uw ontwerp koos uit de 750 inzendingen voor het bekende Centre Pompidou. Later noemde u deze revolutionaire tentoonstellings- en communicatiemachine, dit open samenstelsel van buizen, kabels, trekankers, pijpen en glaswanden, een voorbeeld van Jules Verne-achtige technologie, een soort grap, een sociale uitdaging aan het concept van de geïnstitutionaliseerde cultuur. Na de voltooiing van dit brok handwerk werd u begrijpelijkerwijs ingedeeld bij de high- tech architecten. Spoedig echter nam u daarvan afstand door steeds meer de nadruk te leggen op de immateriële kanten van de architectuur. Ik bedoel hiermee het licht, het geluid, de kleur, de atmosfeer van de ruimte. Steeds tracht u een maximum aan cohesie en kracht te paren aan een minimum aan materie. Het zijn deze eigenschappen die uw architectuur die humane 'gentle touch' geven waardoor wij een bijkans poëtische ervaring ondergaan bij het zien van uw constructies. Hiermee bevestigt u de uitspraak van de 19e eeuwse Duitse bouwmeester Schinkel: "Architektur ist mit Gefühl erhabene Konstruktion". Het duidelijkst komt dit wellicht tot uiting in een van uw laatste creaties, het Kansai Airport in Osaka.

Door gebruik te maken van hoogst geavanceerde computer programma's weet u vakmanschap, techniek en wetenschap te laten samenvallen. Hierdoor ontstaat een biomorphe vorm, niet op grond van bepaalde stylistische principes of een vooropgezet idioom, maar als logisch gevolg van technische en doelmatigheidseisen, zoals een vis de ideale vorm heeft voor het zwemmen in het water en een vogel voor het vliegen in de lucht. Maar zoals er vele verschillende vogels en vissen zijn, zo zijn er vele succesvolle gebouwen. De uwe echter onderscheiden zich door een 'je ne sais quoi' dat de kwaliteit van uw werk uitmaakt. Het essentiële is dat u niet beheerst wordt door de techniek, maar dat u de techniek beheerst en er optimaal gebruik van maakt. Daarmee bent u in deze tijd voor ons allen een voorbeeld.

Hoewel uw architectuur verre van klassiek is in de traditionele zin des woords is het het organische en humane aspect van uw werk dat de verbinding vormt tussen het zien en het begrijpen. Dit doet mij denken aan wat Geoffrey Scott schreef in een van de mooiste boeken over architectuur: "Onbewust omkleden wij de architectuur met menselijke betrokkenheid en emoties. Wij vertalen de architectuur in 'onze' termen. De wetenschappelijke methode is rationeel en praktisch bruikbaar, maar de naïve, de menselijke wijze, die de wereld vermenselijkt en verklaart naar analogie van ons eigen lichaam en geest, blijft de esthische manier; het is de basis van de poëzie en het fundament van de architectuur. Het is de wijze van de poëtische ziel, die van alle tijden en plaatsen is, die de uiterlijke wereld menselijk maakt".**

Terecht hebt u de architectuur een vervuilde kunst genoemd. Immers de architect wordt niet alleen gevoed, maar ook verstoord door de samenleving. In deze paradox vindt de architectuur zijn bestaansrecht en dient zij een pioniersfunctie te vervullen, omdat zij de ontwikkelingen en eisen van de samenleving op de voet moet volgen. Voor de verlangens van de samenleving hebt u een uitzonderlijk gevoelig oor. U bent, zo werd mij verteld, een excellente communicator en u kunt goed luisteren. Luisteren zowel naar de samenleving en de traditie, maar ook naar de natuur en de genius loci. Met de door u opgezette, hoogst originele, mobiele werkplaatsen, voorlichtings- en onderzoekscentra voor restauraties van oude stadskernen in Italië hebt u een onmiddellijk contact met de bevolking bewerkstelligd. In Berlijn wacht u een geweldige stedebouwkundige opdracht: de herbouw van de traditie geladen Potsdammerplatz. U zult mensen, traditie en kennis moeten samenbrengen om stedebouw en architectuur niet uiteen te laten vallen zoals in onze dagen vaak gebeurt. Het is steeds deze dialoog die u ervoor behoedt het slachtoffer te worden van een mystificatie en ongetemde creativiteit en van een artistieke houding zonder zelfbeheersing, zoals u dat zelf hebt uitgedrukt.

Omdat u zich zorgvuldig rekenschap geeft van de omstandigheden bij elk nieuw project, kent uw werk een grote diversiteit, temeer daar de evolutie van uw werk parallel loopt met de nieuwste ontwikkelingen op technisch terrein. U wijst erop dat restauratie en aanpassing aan de genius loci veel moeilijker is dan nieuwbouw zonder meer. Wij zijn dan ook zeer benieuwd naar het te bouwen Science Center aan het IJ te Amsterdam. Bij u heeft de dialoog en het luisteren nog een bijzondere vorm gekregen. Het is een bijzonder opvallend facet van uw persoonlijkheid dat al uw werk voortkomt uit de door u in 1981 opgezette Building Workshop met vestigingen in Genua, Parijs en Japan. Door u geïnspireerd, geleid en geanimeerd wisselen tientallen specialisten, waaronder opvallend veel jongeren van talrijke nationaliteiten, hun ideeën uit over een project, de uitwerking, de materiaalkeuze, de detaillering etc. Ook zij, de medewerkers van uw 'tempel van vakmanschap', delen in de eer die wij u vandaag bewijzen.

Uw inventiviteit en uw gave van samenvatting en vereenvoudiging en - mogen we het woord nog gebruiken - uw smaak volgens de beste Italiaanse traditie zijn beslissend. Zo kunnen wij tenslotte wellicht toch zeggen dat wij weten wat goede architectuur is. De schepper is een generalist met een multidisciplinaire belangstelling, die op humane wijze ambacht en de meest geavanceerde techniek met de traditie, de natuur en de mens in zijn werk verenigt. Zulk een architect mag, met de woorden van uw beroemde 15e eeuwse voorganger Leon Battista Alberti, tot de grote weldoeners van de mensheid worden gerekend.

Het is daarom dat ik u gaarne de Erasmusprijs 1995 overhandig.

* Roger Scruton, The Classical Vernacular. Architectural principles in an age of nihilism (1994)
** Geoffrey Scott, The Architecture of Humanism (1914), New York/London, 1975, 159-163

Dankwoord

Majesteit, Koninklijke Hoogheden

Ik voel mij diep geroerd; door het feit dat ik hier in het paleis ben, dat ik de Erasmusprijs heb ontvangen en dat ik heb mogen luisteren naar de muziek.

Ik ben vooral geroerd door deze prijs, omdat hij genoemd is naar Erasmus, een man die een paar eeuwen geleden een van de vrije geesten van onze Europese cultuur was. Hij was een van de vormgevers van de Europese cultuur. Hij werkte samen met Italianen en met Thomas More, ook zo'n groot man. In dezelfde periode was er in Italië een andere man (eigenlijk had hij niet veel contact met Erasmus), die afwisselend werkte in Florence, Venetië en Padua; zijn naam was Galileo Galilei.

Van Galileo is de uitdrukking 'provando e riprovando' wat betekent 'steeds maar weer opnieuw proberen', hetgeen zo sterk de echte liefde uitdrukt - die ook de mijne is - voor het onderzoek, de research, het experiment. Het is iets dat heel sterk is ingebed in mijn - ik moet zeggen óns - DNA; het is een deel van onze cultuur. Dit gebeurde slechts een paar honderd jaar geleden, in de tijd van de grootvaders van onze grootvaders; eergisteren, niet meer dan dat. Dit is zeker een van de redenen waardoor ik vooral geroerd ben.

Nu we het hebben over vaders en grootvaders; ik werd geboren in een familie van aannemers. Mijn vader was aannemer en mijn grootvader was eveneens aannemer. Ik had het geluk op te groeien in een gezin waar je als kind al wist wat je later zou worden. Ik heb veel tijd doorgebracht op bouwterreinen, spelend met materialen, terwijl ik vol bewondering mijn vader gadesloeg; de volgende dag kon ik dan iets maken uit ruwe materialen. Dat was een intens onderdeel van mijn opvoeding, net als mijn liefde voor lezen, waarbij ik ook nog het geluk had op te groeien in een kleine antieke stad, een stad met een zeer rijke geschiedenis, Genua. Genua was de Italiaanse republiek die eeuwenlang gevochten heeft tegen Venetië, een behoorlijk sterke en machtige stad met een zeer rijk en dichtbebouwd historisch centrum. De liefde voor die oude smalle straatjes, de compacte materialisatie van de geschiedenis staan voor altijd op mijn netvlies, evenals de aanblik van de haven. De haven van Genua was een geweldige plek voor mij, een plek van avontuur. (Ik probeer u een paar ansichtkaarten te laten zien uit mijn jonge jaren; het zijn slechts ansichtkaarten maar ze staan diep in mijn ziel gegrifd). De oude dichtbebouwde stad was een plek van geborgenheid; de haven was een plek van avontuur. Avontuur, reizen, ontdekken en weggaan: een plek als uit een droom. U weet allemaal dat iemand eens heeft gezegd dat alles al eens op jonge leeftijd, in de kindertijd, is uitgevonden en dat je de rest van het leven doorbrengt met het opgraven van wat je toen hebt opgebouwd. Dit is zeker bij mij het geval.

Er is natuurlijk een moment geweest dat ik het besluit moest nemen om mijn vader te vertellen dat ik architect wilde worden. Hij keek mij aan en vroeg waarom ik 'maar' architect wilde worden en geen aannemer. Een architect is veel minder dan een aannemer: een aannemer maakt alles, het plan maar ook het gebouw zelf, hij maakt de calculaties, kortom doet alles. De oude man had natuurlijk gelijk, absoluut. Toch doorliep ik de architectuur opleiding, maar ik ben die woorden nooit vergeten en dit is ook de reden dat ik mijn bureau 'bouwwerkplaats' heb genoemd; omdat het een plek is waar we informatie uitwisselen, niet alleen over de bouw maar ook over andere disciplines. Dit is sinds lange tijd het geval. Op het kantoor en in ons team hebben wij altijd gewerkt met veel mensen met verschillende achtergronden en uit verschillende disciplines.

Laten we nu weer even terugkeren naar deze prachtige muziek die zojuist gespeeld is. Ik ben erg blij met deze verrassing - het is echt een verrassing voor mij - en ook al is Luciano Berio hier niet aanwezig, moet ik u, maestro, bedanken voor de voortreffelijke vertolking. Luciano Berio is een van die mensen met wie ik discussieer over muziek en architectuur, waarbij opvalt hoe bepaalde vakgebieden op elkaar lijken: muziek, literatuur, kunst en wetenschap. Al die dingen zijn lange tijd in de dertig jaar van mijn beroepsleven met elkaar verbonden geweest. Het is iedere keer weer verbazend te merken hoe deze vakgebieden op elkaar lijken. Creativiteit is voor iedereen hetzelfde: je hebt dezelfde soort angst, dezelfde spanning. Soms moet je wachten, terwijl je halstarrig naar het donker kijkt - architecten, musici, ingenieurs, schrijvers. Al deze zaken zijn wezenlijk hetzelfde, ze verbinden in feite het werk van iedere kunstenaar, van ieder creatief persoon. Als ik mijn 30-jarige professionele loopbaan naloop - en met name kijk naar de uitwisseling en verrijking door de ervaring met andere disciplines - besef ik dat dit een van de fundamentele aspecten van mijn ervaring is geweest.

Ik ben in mijn leven veel mensen tegengekomen, die een gevangene waren van mystificaties: er zijn bijvoorbeeld veel verzinsels ten aanzien van de contradictie tussen vrijheid en discipline; maar wanneer je met creatieve mensen samenwerkt, zelfs al zijn ze van verschillende disciplines, weet je dat er geen sprake is van een tegenstelling. Als kunstenaar heb je vrijheid nodig, maar ook discipline, anders ben je verloren; daarom zijn deze dingen niet met elkaar in tegenspraak, zij zijn eigenlijk twee manifestaties van het creatieve proces op hetzelfde moment. Soms worden kunst en technologie ook gezien als tegengesteld, waarbij de kunst heilig is en technologie slechts een instrument van de kunst. Dit is absoluut belachelijk, iedereen weet dat dit niet waar is. Kunst en technologie zijn de twee gezichten van hetzelfde probleem: creëren. Creatie is in feite een circulair proces. Je hebt een idee, je gaat aan het werk en vanuit het werk keer je terug naar het idee en van het idee ga je weer terug naar het werk. Door zo te handelen verrijk je het proces. Het is absurd om te denken dat technologie ('tekné', zoals de Grieken het noemden) zoiets is als de goede ideeën op de juiste plaats zetten. Ik geef altijd het voorbeeld van een goede pianist, die met zijn ogen dicht zomaar wat zit te spelen; dit is alleen mogelijk omdat hij zoveel techniek heeft in zijn handen, 'tekné', dat hij die zelfs kan vergeten: hij sluit zijn ogen en speelt. Het is dan erg moeilijk om te onderscheiden wat kunst is en wat techniek.

Er is ook veel mystificatie als we praten over instinct en rationaliteit; soms merk ik bijvoorbeeld, zelfs na een 30-jarige loopbaan, dat ik instinctief reageer; maar als ik er beter over nadenk besef ik dat het helemaal niet instinctief is: het is een soort accumulatie van ervaring, van een zeer zorgvuldig en rationeel opgebouwde ervaring die mij de mogeljkheid geeft om mijn instinct te volgen. Als je deze capaciteit hebt opgebouwd is het niet irrationeel, maar instinctief; deze twee begrippen staan niet tegenover elkaar, ze zijn niet tegengesteld aan elkaar.

Uiteindelijk, en dit is waarschijnljk het belangrijkste in dit land en in alle Europese landen, is er geen tegenstelling tussen traditie en moderniteit. Het muziekstuk, waarnaar wij zojuist geluisterd hebben, is hier een voorbeeld van. Luciano Berio is de wereld rond gegaan, waarbij hij bij wijze van spreken overal wat vandaan gehaald heeft en die melodieën meegenomen heeft, waaruit hij een fantastische mengeling van moderniteit en traditie gemaakt heeft. Dit is het belangrijke punt: traditie en moderniteit leven naast elkaar. Ik houd veel van onderzoeken, experimenteren en moderniteit, maar tegeljkertijd houd ik veel van traditie. Ik heb een grote, dankbare liefde voor de traditie en ik denk dat dit voor ons allen en voor de gehele Europese cultuur - zeker voor mijzelf - is wat wij de geest van het humanisme moeten noemen. Dank u wel.

Centre Pompidou, door Erasmusprijswinnaar Renzo Piano

De Italiaanse architect Renzo Piano, beroemd door zijn ontwerp voor het Centre Pompidou in Parijs (1977), won in 1995 de Erasmusprijs.