Oud-prijswinnaars

Bernd en Hilla Becher

2002

‘Foto en Document’ was het onderwerp van de Erasmusprijs 2002. De macht en kracht van het beeld – documenterend, overtuigend, emotionerend of kunstzinnig – is overal waarneembaar en van invloed. Het werk van de laureaten, het echtpaar Bernd en Hilla Becher, toont een bijzondere combinatie van documentaire en artistieke waarde. Met grote vasthoudendheid en uiterst consequent hebben zij een langjarig project uitgevoerd van documentatie van industriële architectuur: mijnen, hoogovens, watertorens, fabriekscomplexen, silo’s en vakwerkhuizen. Alle foto’s zijn genomen onder dezelfde, neutrale omstandigheden; niets, zelfs niet de lucht, leidt af van het onderwerp. De foto’s worden in typologieën onderverdeeld en gerangschikt volgens een strak stramien. Samengevoegd vormen zij een presentatie die een fascinerend beeld vormt van de verschillende vormen binnen één onderwerp. Door deze wijze van presenteren hebben zij een verband gelegd naar de kunst, waardoor het verschil tussen documentaire fotografie en beeldende kunst verdwenen is. Hoewel niet oorspronkelijk de opzet, is hun werk een belangrijke bron geworden voor de studie van het industrieel erfgoed. Het is een uniek project, omdat de Bechers begonnen zijn op een moment dat dit soort documentatie nog geen esthetische erkenning vond. Behalve in Duitsland fotografeerden zij ook in andere regio’s in Europa en de Verenigde Staten. De wijze van fotograferen en documenteren van Bernd en Hilla Becher heeft grote invloed gehad op de jongere generatie Duitse fotografen, zoals Andreas Gursky, Thomas Ruff en Candida Höfer. Met recht wordt gesproken van de ‘Becher-Schule’. Bernd Becher werd in 1931 geboren in Siegen; Hilla Becher in 1934 in Potsdam. Vanaf 1959 werkten zij samen en in 1961 trouwden zij. Bernd Becher overleed in 2007. Hilla Becher is overleden op 10 oktober 2015.

Bernd en Hilla Becher hebben het geld van de Erasmusprijs bestemd voor de conservering en ordening van hun werk.

Gronden van Verlening

Op grond van artikel 2 van de statuten van de Stichting Praemium Erasmianum wordt jaarlijks een geldprijs toegekend aan een persoon of instelling die een voor Europa bijzonder belangrijke bijdrage heeft geleverd op het gebied van cultuur, geesteswetenschappen en sociale wetenschappen.

In overeenstemming daarmee heeft Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Bernhard der Nederlanden het besluit van het bestuur bekrachtigd om de Erasmusprijs voor het jaar 2002 toe te kennen aan Hilla en Bernd Becher.

De Erasmusprijs voor het jaar 2002 wordt toegekend aan Hilla Becher-Wobeser en Bernd Becher,

  • omdat hun werk van de hoogste kwaliteit is, en als grondleggend voor de nieuwe documentaire fotografie, de zogenaamde -objectieve fotografie - beschouwd kan worden;
  • omdat zij vasthoudend en consequent een langjarig project uitgevoerd hebben: de documentatie van industriële architectuur, dat uniek is in omvang en systematiek, een project dat zij begonnen zijn toen deze soort van documentatie nog geen esthetische erkenning vond;
  • omdat zij met hun foto's van het industriële erfgoed een waardig tribuut hebben gebracht aan de vormgeving van de oude economie;
  • omdat zij met hun werk een brug geslagen hebben naar de kunst, waardoor de verschillen tussen documentaire fotografie en beeldende kunst verdwenen zijn;
  • omdat hun kunst een krachtige uitstraling heeft en vele toeschouwers een nieuwe manier van de werkelijkheid te zien heeft bijgebracht;
  • omdat zij niet alleen met eigen werk een duurzaam oeuvre geschapen hebben, maar ook hun inspiratie en inzichten hebben doorgegeven aan drie generaties van fotografen, die de documentaire fotografie verdiept en verder ontwikkeld hebben.

Laudatio

uitgesproken uit naam van Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Bernhard der Nederlanden, Regent van de Stichting Praemium Erasmianum door A.H.G. Rinnooy Kan, voorzitter

Koninklijke Hoogheden, Geachte heer Van Vollenhoven, Excellentie, Dames en Heren,

Geachte mevrouw en mijnheer Becher,

Indien men de vele geleerde en kunstzinnige inleidingen op uw werk doorleest, wordt men getroffen door de vele woorden die dergelijke beschouwingen nodig hebben om uw werk te plaatsen, en, daaruit voortvloeiend, om u als beroepsbeoefenaren te plaatsen. Kennelijk is het niet eenvoudig een bondige karakterisering te vinden die trefzeker duidelijk maakt wat het bijzondere is van wat u doet en wat dat zo bijzonder maakt.
Ik ga een stap verder: misschien moeten wij dit niet eens willen. Misschien moeten wij er genoegen mee nemen dat een korte karakterisering niet redelijk is. Er spelen teveel aspecten een rol. Daarbij komt dat u als het ware schuil gaat achter uw werk en subjectieve persoonlijke accenten vermijdt. Dat is kennelijk een bewuste keuze. Daarvoor wordt dikwijls de term stijlloos, zonder eigen stijl, gebruikt. Niet zo?n gelukkige woordkeuze wellicht, want het lijkt te wijzen op een deficit, of zelfs een gebrek aan smaak in uw werk. Men verwacht ten slotte dat een fotograaf naam maakt door juist een uitgesproken eigen stijl te ontwikkelen en die tot handelsmerk te maken.
U vermijdt subjectieve weergave, romantiek en speciale lichteffecten. U heeft eens een helder concept gekozen: dat van de centrale, meestal frontale weergave in diffuus licht, een iets verhoogd standpunt, in zwart-wit op groot formaat en een indeling van de onderwerpen in groepen en rijen, die het vormenrepertoire van de industriële architectuur vergelijkbaar maken. Geen enkel element dat afleidt van de centrale uitbeelding. In ongeveer veertig jaar fotograferen bent u uw eigen weg gegaan zonder u te laten afleiden of u aan modieuze tendenzen aan te passen. U laat het werk geheel voor zichzelf spreken en onthoudt u van commentaar. De toeschouwer ziet zich geconfronteerd niet met een foto en niet met een fotograaf, of zelfs een fotografenechtpaar, maar met een gebouw. Hij is alleen met het object, of op een industrieterrein.
Maar die toeschouwer ziet niet slechts één gebouw. Hij ziet vele series van bouwwerken. Hij ziet ze bovendien niet van maar één kant, maar van alle kanten. Hij wordt om het gebouw geleid. Hij ziet ze in grote aantallen naast elkaar. Hij kan ze vergelijken. Hij ziet gelijkenissen en kleine verschillen. De volgorde waarin de foto's in een tentoonstellingsruimte of in een boek getoond worden is niet willekeurig. U heeft de platen zo geordend dat typologieën ontstaan: dezelfde basisvormen met variaties in kleine details, zorgvuldig gerangschikt. De toeschouwer wordt gedwongen zich te verdiepen in de details waarin de afgebeelde bouwwerken van elkaar verschillen of overeenkomen. In de inleiding van een tentoonstellingscatalogus plaatst Thierry de Duve de voor het werk van Bernd en Hilla Becher zo typerende reductie van iedere persoonlijke stijl in dienst van het benadrukken van de onpersoonlijke esthetiek van de objecten, die, wanneer de toeschouwer daar eenmaal gevoelig voor is, ontdekkingszin en vreugde over het begrijpen en vergelijken oproept. De toeschouwer die eerder geen specifieke interesse had voor watertorens of mijnschachttorens, kijkt plotseling met heel andere ogen naar die bouwwerken. Bouwwerken die hij eerst niet of nauwelijks bekeek, hoogstens zag, en zeker niet een esthetische waarde toekende. Maar nu wordt hij in de magie van de herhaling en bijna herhaling gezogen. De eerstvolgende watertoren die hij ziet zal hij in zijn hoofd bijna automatisch, op grond van specifieke uiterlijke kenmerken, in een serie proberen te plaatsen zoals hij heeft gezien in de fotoreeksen van de Bechers. En dan is er eigenlijk iets heel wonderbaarlijks geschied: de watertorens hebben een geheel eigen plek verworven in het bewustzijn van de toeschouwer. Die watertoren of fabriekshal wordt gezien als een intrinsiek waardevol object. Het bouwwerk heeft in zijn ervaring van de gebouwde leefomgeving de waarde gekregen van monument. De verandering van objecten, die uit de idee van zuivere functionaliteit ontstonden, in objecten met een sculpturale kwaliteit, verleent aan de eertijds profane industriearchitectuur een artistiek belang, waarvan de bouwers nauwelijks hadden durven dromen. De typologieën van ogenschijnlijk saaie utiliteitsgebouwen, die elk op zich in de optiek van velen weinig opwindend mogen schijnen, hebben bewerkstelligd dat wij die bouwwerken met andere ogen gaan bekijken.
Dit brengt mij weer op het onderwerp van uw werk: de industrie-architectuur en andere utiliteitsgebouwen. Vandaag de dag zijn vele architectuurhistorici en cultuurliefhebbers u dankbaar dat u op zo'n systematische en zorgvuldige wijze zo'n enorme hoeveelheid gebouwen in kaart heeft gebracht. Monumenten van de oude economie worden ze daardoor wel genoemd. Door uw werk is een documentatie aangelegd van vele complexen die intussen al lang zijn afgebroken en alleen nog bestaan door uw foto's. Maar het is goed te bedenken, dat u deze onderneming - want zo mogen wij het gerust noemen, een zeer langdurige onderneming - begonnen bent zonder het oogmerk dat zulke nutsgebouwen uit de vorige eeuw allemaal zouden moeten worden bewaard. Er was niets romantisch aan. De onderneming wordt eerder gekenmerkt door een koele, wetenschappelijke zienswijze. De waarneming is onpersoonlijk, analytisch en systematisch, en altijd hetzelfde. Dit gigantische project werd begonnen op een moment, eind jaren vijftig van de vorige eeuw, dat architectuurhistorici zich nog niet voor ingenieursbouw durfden te interesseren en industrie-archeologen in hoofdzaak technische processen onderzochten.
Is het afbeelden van de werkelijkheid, zoals de documentaire fotografie doet, ook als kunst te beschouwen? Weliswaar gaat het om gebouwen die zo gefotografeerd zijn zoals u ze aantrof, maar uiteindelijk bent u degenen die het beeld gemaakt heeft. U heeft de werkelijkheid van vóór de camera achter de camera bepaalt. In deze zin is fotografie dus een even kunstzinnig medium als schilder- of beeldhouwkunst en een artistiek standpunt. De fotografie is weliswaar beperkt wat betreft de ingrepen in het beeld, maar wat het afbeelden van structuren en oppervlakte aangaat, is zij tienmaal zo effectief als welk geschilderd of getekend beeld ook (citaat Thomas Ruff). Rudi Fuchs, toendertijd directeur van het Stedelijk van Abbemuseum in Eindhoven, merkte al in 1981 op dat de vraag of dit werk van Hilla en Bernd Becher kunst is, eigenlijk niet zo interessant is. Alleen kunstenaars konden eraan beginnen. Kennelijk konden alleen zij de motivatie vinden om eraan te beginnen, en om het monnikkenwerk door te zetten. Dit langzame en moeizame proces op gang te houden is een vreselijk moeilijke taak. Waarschijnlijk hebben de Bechers hierin alleen kunnen volharden dankzij de artistieke structuur en motivatie van de onderneming. Een motivatie, mevrouw en mijnheer Becher, die gezien uw niet aflatende activiteit, nog immer springlevend is.
Mijnheer en mevrouw Becher, u staat internationaal te boek als de grondleggers van de nieuwe, documentaire fotografie. U heeft school gemaakt door een reeks jonge fotografen op te leiden in Düsseldorf. U heeft uw traditie, uw visie en attitude op drie generaties fotografen overgedragen. Leerlingen onder wie Thomas Ruff, Axel Hütte, Thomas Struth, Andreas Gurski, Petra Wunderlich, Georg Sasse, Candida Höfer en de allerjongsten Simone Nieweg en Laurenz Bergis, hebben ieder op eigen wijze de traditie van de - objectieve fotografie - verrijkt en verder uitgewerkt. Er heeft zich een ongewone concentratie van uitzonderlijk talent gevormd rond uw lessen aan de Düsseldorfer Kunstakademie. Dit heeft een substantiële, internationaal gerenommeerde groep van fotografen opgeleverd, die op hun beurt het gezicht van de 21ste eeuw, in zijn beginjaren, uitzonderlijk scherp profiel hebben gegeven.

Dan wil ik nu Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Bernhard uitnodigen de Erasmusprijs aan de heer en mevrouw Becher uit te reiken.

Dankwoord

 

 

uitgesproken door Hilla Becher

Koninklijke Hoogheden, Excellentie, geachte dames en heren, lieve vrienden

Het feit dat deze eer ons ten deel valt, maakt ons gelukkig en trots. Met de blik van nu zou men kunnen denken dat ons werk een rechtlijnig verloop had, waaraan een groter plan ten grondslag lag, een draaiboek als het ware. Er was echter geen sprake van een opdracht en ook niet van vraag. Dat was maar goed ook, want anders zou het zeker vervelend zijn geworden. Wij zijn gewoon begonnen en wisten niet precies waar wij zouden uitkomen.

De motivatie was eigenlijk sentiment. Bernd, die in Siegen tussen de mijnen en hoogovens was opgegroeid, wilde de beelden van zijn jeugd op papier zetten. Eerst tekende en schilderde hij, totdat hij besloot te gaan fotograferen vanwege de grotere precisie in de weergave.

Bij mij was meer een jeugdige opstandigheid de reden dat ik mij, na mijn jeugd in Potsdam met al die lieflijke paleizen en parken, zo sterk aangetrokken voelde door de rauwe haven- en industrielandschappen. Het Ruhrgebied in de jaren vijftig kookte van energie, een schouwspel van vuur en stoom en monstrueuze apparaten in overvloed.

Eigenlijk leerden wij pas bij het werk het wezen van deze raadselachtige creaturen kennen (ik had er in ieder geval een zekere moeite mee). Leren moesten wij ook hoe men deze juist afbeeldt. Ieder wilde anders opgenomen worden: de sprinkhaan anders dan de octopus. Is er een voor? Is er een achter? Is er zo iets als een gezicht? Wat is karakteristiek?

Bepaalde grondvormen worden natuurlijk gedefinieerd door de functie, de periode van ontstaan, de economische verhoudingen. Zij maken minimaal aanspraak op schoonheid, maar de veelheid van variaties is verbluffend.

Wij werkten voor zo ver onze middelen het toelieten; dat bepaalde toendertijd ook de afstand: eerst in het Siegerland, daarna het Ruhrgebied, Holland, België, Luxemburg, Frankrijk. (Tussendoor moesten wij ook zo af en toe nog geld verdienen). Een stipendium van de British Council in 1966 maakte ons een verblijf van zes maanden in Engeland en Zuid-Wales mogelijk; dat was tot dan toe de meest intensieve periode.

Ileana Sonnabend, die onze foto's in 1972 in haar galerie in New York toonde, moedigde ons aan nu ook in Amerika te werken, en zij ondersteunde ons ruimhartig, ook in de volgende jaren. Wij waren reusachtig blij dat zij en Antonio Homem naar de opening in het Stedelijk Museum konden komen.

Manette Repriels is hier vandaag. Manette en Jacques Repriels willen wij hartelijk danken voor hun hulp in België en hun lange vriendschap.

Voor het boek dat de gelegenheid van vandaag begeleidt danken wij Susanne Lange van de Fotografische Sammlung, SK Stiftung Kultur. Zij heeft met intelligent en minutieus werk een prachtig boek getoverd. Het is uitgegeven door Lothar Schirmer, al jarenlang een vriend; werken met hem is een plezier. Wij danken hem ook dat hij zonder vermoeidheidsverschijnselen een hele reeks van onze boeken heeft uitgegeven, wat gezien het feit dat zij nu eenmaal geen bestsellers kunnen zijn, behoorlijk dapper is.

Wij zijn nog niet gewend aan het idee helemaal met fotograferen op te houden; een paar reizen willen wij nog maken. Maar wij moeten ons er nu vooral toe zetten de negatieven, die voor het grootste deel nooit voor publicaties of tentoonstellingen afgedrukt werden, te bewerken. Zo moeten wij ook alle andere dingen die wij verzameld hebben - boeken, kaarten, plattegronden, enz. - ordenen en indelen en dwarsverbanden leggen. Gelukkig zijn er computers en mensen die dat goed kunnen. Het zou goed zijn wanneer het archief ook voor andere en komende generaties, die met het thema willen werken, toegankelijk, leesbaar en bruikbaar wordt. De Erasmusprijs zal daarbij helpen.

Wij danken u hartelijk.

Bolvormige Gastanks, door Bernd en Hilla Becher

Het echtpaar Bernd en Hilla Becher kreeg de Erasmusprijs in 2002 op het gebied van 'Foto en Document'.