Oud-prijswinnaars

Claudio Magris

2001

De uitbreiding van de Europese Unie inspireerde de Stichting tot de keuze van het thema ‘Culturele Breuklijnen’. Hiermee werd gedoeld op de confrontatie die ontstaat wanneer grenzen, juist ook culturele, verschuiven. Bekroond werden Claudio Magris en Adam Michnik. Het werk van beide laureaten is sterk verbonden met de roerige geschiedenis van Midden-Europa. Beiden laten zien hoe ons besef van identiteit en waarneming beïnvloed kan worden door verandering van het politieke systeem of verschuiving van geografische grenzen.

Claudio Magris werd in 1939 geboren in Triest, een plaats en tijd die symptomatisch zijn voor het gekozen thema. Als hoogleraar Germanistiek aan de universiteiten van Turijn en Triest groeide Magris uit tot een van Europa’s meest vooraanstaande cultuurfilosofen. Hij is vertaler van Duitse literatuur en schrijft regelmatig voor de Corriere della Sera. Van 1994 tot 1996 had hij een zetel in de Italiaanse Senaat. Door zijn dissertatie over de Habsburgse mythe in de moderne Oostenrijkse literatuur herontdekte hij de Oost-Europese literatuur en maakte hij Italië bewust van de Oost-Europese cultuur. Het boek waarmee hij naam heeft gemaakt is Danubio (1986), een cultuurgeschiedenis van de rivier de Donau en de landstreken waar deze doorheen stroomt, waarbij zich een kleurrijk en multicultureel panorama ontvouwt van de Europese geschiedenis. In zijn essays presenteert Magris intieme microbeschrijvingen van plaatsen en personen met de impliciete boodschap het verleden niet te vergeten. Bekende werken van Claudio Magris zijn Illazioni su una sciabola (1984), Un altro mare (1991), Microcosmi (1997), de verzameling essays Utopia e disincanto (1999) en zijn boek Alla Cieca (2005).

Gronden van Verlening

Gronden van Verlening - Erasmusprijs 2001 - Claudio Magris en Adam Michnik

Artikel 2 van de Statuten van de Stichting Praemium Erasmianum luidt als volgt:

Het doel van de Stichting is, binnen de context van de culturele tradities van Europa in het algemeen en het gedachtegoed van Erasmus in het bijzonder, de geestes- en maartschappijwetenschappen en de kunsten te bevorderen en de positie van deze gebieden in de maatschappij te versterken. De nadruk ligt hierbij op tolerantie, cultureel pluralisme en ondogmatisch, kritisch denken. De Stichting streeft ernaar dit doel te bereiken door het toekennen van prijzen en andere manieren; een geldprijs wordt toegekend aan een persoon of instelling onder de naam Erasmusprijs.

In overeenstemming met dit artikel heeft Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Bernhard der Nederlanden, Regent van de Stichting Praemium Erasmianum het besluit van het bestuur van de Stichting bekrachtigd om de Erasmusprijs voor het jaar 2001 toe te kennen aan Claudio Magris en Adam Michnik.

De prijs wordt toegekend aan de heer Magris en aan de heer Michnik gezamenlijk op de volgende gronden:

  • Zowel de heer Magris als de heer Michnik hebben door hun handelen en met hun geschriften een bijdrage geleverd aan een democratische samenleving, gebaseerd op waarden zoals tolerantie en het accepteren van verschillen.
  • In de schriftelijke uitdrukking van hun gedachtegoed hebben beide schrijvers optimaal gebruik gemaakt van het genre van het essay, waarbij zij afwisselend gebruikmaken van persoonlijke ervaring, brede reflectie en gedetailleerde beschrijving.
  • In hun werk hebben de laureaten op indringende wijze de dilemma's beschreven van het nemen van persoonlijke verantwoordelijkheid in tijden van onderdrukking en vreemde overheersing.
  • Beiden hebben aangetoond hoe ons besef van identiteit en waarneming van de waarheid beïnvloed kan worden door een verandering in het politieke systeem of door verschuiving van geografische grenzen.
  • Zij laten zien dat de geschiedenis en cultuur van Centraal Europa een zaak is die allen aangaat die geïnteresseerd zijn in Europese verscheidenheid en Europese integratie.
  • In zijn essays presenteert Claudio Magris intieme micro-beschrijvingen van plaatsen en personen, met een impliciete boodschap die ons waarschuwt de geschiedenis van het heden niet te vergeten.
  • In een rijke en elegante schrijfstijl toont Claudio Magris het effect aan van grenzen en scheidslijnen op onze beleving van de wereld, waarbij hij ons dwingt de wereld vanuit verschillende standpunten te bezien.
  • Adam Michnik verkent in zijn essays de ruimte tussen heroïek en verraad, tussen activisme en collaboratie en laat zien hoe hij zich de kunst van het compromis en tolerantie eigen heeft gemaakt.
  • Door zijn oorspronkelijke en vasthoudende opstelling heeft Adam Michnik sterk bijgedragen aan de opbouw van een democratische en pluralistische samenleving in een land waar geen stevige democratische traditie is; daarmee heeft hij een voorbeeld gesteld voor soortgelijke niet-geweldadige omwentelingen in andere landen.
  • De Erasmusprijs is toegekend aan Claudio Magris en Adam Michnik gezamenlijk omdat hun kwaliteiten als complementaire kanten van dezelfde boodschap gezien kunnen worden, een boodschap die volmaakt aansluit bij de Erasmiaanse waarden van tolerantie en ondogmatisch denken.

Laudatio

uitgesproken uit naam van Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Bernhard der Nederlanden door A.H.G. Rinnooy Kan ter gelegenheid van de uitreiking van de Erasmusprijs op 7 november 2001.

Majesteit, Koninklijke Hoogheden, Excellenties, dames en heren,

Het is mij een eer en een genoegen u vanaf deze plaats toe te spreken uit naam van Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Bernhard. Ik zal mijn best doen de grote betrokkenheid van de Regent van onze Stichting over te brengen bij het onderwerp van deze feestelijke plechtigheid en zijn bewondering voor de twee laureaten die vandaag onze gast zijn. Wij zijn blij dat u, Koninklijke Hoogheid, bereid bent als vanouds de prijzen uit te reiken.

Centraal Europa en de culturele scheidslijnen in die regio vormen het geografisch middelpunt van de Erasmusprijs van dit jaar. Het is de gemeenschappelijke noemer in het werk van onze twee laureaten van vandaag. Centraal Europa is niet alleen een definitie van een geografische regio tussen Duitsland en de landen die behoorden tot de voormalige Sovjet Unie. Het is ook de weergave van het begrip Mittel-Europa, een begrip van historische, geografische, politieke en culturele aard. Dit begrip is niet eenduidig en geeft aanleiding tot een levendig debat over waar het precies voor staat en hoe het gedefiniëerd moet worden. Historisch gezien zijn er goede redenen - bijvoorbeeld in de godsdienst en architectuur - om het gebruik van de term Mittel-Europa te rechtvaardigen voor het cultureel-politieke gebied in het hart van Europa, een streek die ruwweg de contouren heeft van het voormalige Habsburgse Rijk, of zelfs een groter gebied dat bestreken wordt door het Middeleeuwse begrip christianitas. Het probleem is waar precies de grenzen getrokken moeten worden.

Bij onze pogingen culturele en geografische eenheden te definiëren worden wij inderdaad voortdurend geconfronteerd met de complexe geschiedenis van grenzen. Centraal Europa in het bijzonder is een mozaïek van oude en nieuwe grenzen die volken, culturen, ideologieën en naties scheiden. Wat wij zien is dat oude grenzen een taai leven leiden en ons denken en onze loyaliteiten blijven beïnvloeden, zelfs wanneer zij geen fysieke realiteit meer zijn. Na de val van het communisme bijvoorbeeld, kwamen oudere en diep gewortelde culturele en etnische loyaliteiten weer aan de oppervlakte, die - in sommige streken - weer gebruikt werden voor politieke doeleinden, zoals we hebben kunnen zien op de Balkan. Tegelijkertijd scheppen wij nieuwe grenzen. Tegen de achtergrond van de uitbreiding van de Europese Unie bijvoorbeeld zullen de grenzen tussen de landen die wel en die nog niet deel uit zullen maken van de Europese Unie ons de komende jaren bezighouden. Het is ook juist in deze grensgebieden, waar de vraag van de relatie tot Europa als een multi-culturele samenleving, op een pregnante manier gesteld zal worden. Tot hoever kan Europa uitgerekt worden, rekening houdend met regionale identiteiten, terwijl tegelijkertijd een nieuwe economische superstructuur wordt geschapen? Hoe kunnen wij voorkomen dat gevoelens van uitsluiting en vernedering de kop opsteken?

Claudio Magris en Adam Michnik hebben onder andere het essay gekozen als middel om deze en andere vragen op te werpen. Het essay is bij uitstek het medium om zulke problemen aan te kaarten. Het is onconventioneel in stijl, overschrijdt de territoria van de journalistiek, de wetenschap en de kunsten, en combineert ogenschijnlijk tegenstrijdige kenmerken: aan de ene kant de afstandelijkheid die nodig is voor reflectie en aan de andere kant de persoonlijke betrokkenheid van de auteur. Het is een genre waarin zowel universalisme als lokale wortels tot uitdrukking kunnen komen. Een flexibel genre dus, dat in bekwame handen een doordringend instrument van expressie en zelfreflectie kan zijn.

Wij vonden dat deze koorddans act - tussen persoonlijke beleving en de neiging de zaken te bekijken vanaf de andere kant van de schutting, als het ware - een karakteristieke trek is in het essayistisch werk van zowel Claudio Magris als Adam Michnik. Wij zien een oeuvre dat elkaar aanvult en versterkt omdat het verschillende aspecten van dezelfde fundamentele boodschap brengt, namelijk, dat een werkelijk democratische samenleving cultureel en politiek pluralisme moet koesteren. Historisch besef en individuele verantwoordelijkheid zijn voorwaarden om onze verschillen te begrijpen en maken het ons mogelijk tolerantie te betrachten en wijze beslissingen te nemen. Door de Prijs toe te kennen aan Magris en Michnik gezamenlijk, denken wij het sterkst mogelijke signaal af te geven om het belang te benadrukken van Culturele Breuklijnen in Europa, het thema van de Erasmusprijs van dit jaar. In hun geschriften en in hun optreden laten deze twee mannen een combinatie zien van scherp observeren, meeslepende literaire kwaliteit en persoonlijke betrokkenheid bij de fascinerende, multiculturele chaos, die Mittel-Europa is.

Mijnheer Magris, het boek Donau bracht u een internationaal lezerspubliek, bovenop de waardering uit academische kring die uw wetenschappelijk werk, zoals bijvoorbeeld dat over de Habsburgse mythe in de Oostenrijkse literatuur, al gekregen had. Onder het mom van de beschrijving van een sentimental journey van de bron naar de Zwarte Zee is het boek Donau in werkelijkheid een diepgaande analyse van de geschiedenis en culturen van geheel Mittel-Europa. Het is het verhaal van de rivier die beschouwd kan worden als de ruggengraat van Centraal Europa. Het verhaal volgt de loop van de rivier en zorgt er tegelijkertijd voor dat de lezer die gewend is Europa vanuit een westers perspectief te bekijken het gezicht keert naar het oosten. Uw fascinatie voor grenzen en scheidslijnen is welbekend. Grenzen scheiden en verbinden; grenzen kunnen vastliggen en schuiven, ondergronds gaan en weer opduiken; zij kunnen wel of niet gepasseerd worden; kortom, zij zijn tweeslachtig, een thema dat in al uw werk op de voorgrond staat. Uw twee boeken die het best bekend zijn, Danubio en Microcosmi, vormen een aaneenschakeling van juweeltjes van portretten, personen, plaatsen en landschappen. Triëst, een provincieplaats op het kruispunt van oost, west, noord en zuid, uw thuisbasis en de inspiratie voor veel van uw werk, is het vaste referentiepunt in uw boek Microcosmi. De geschiedenis van dit grensland tussen Italië, Slovenië, Kroatië en Oostenrijk, komt tot leven in de bijna tastbare beschrijving van dorpen, landschappen en personen. Uw stijl van schrijven past zich aan bij het onderwerp, soms rationeel en kort, dan weer barok of melancholiek. U biedt in uw werk een schat aan observaties, waarbij u suggereert dat verscheidenheid en pluralisme van cruciaal belang zijn in gemeenschappen die gekenmerkt worden door geografische deling. De drang naar een veronderstelde zuiverheid leidt, naar uw idee, tot excessen. Een mengeling, een mozaïek van volken - de natuurlijke uitkomst van de geschiedenis - past het best bij de menselijke dimensie. Behalve het bewijs van de grote eruditie van een hoogleraar in de Duitstalige literatuur, zijn uw geschriften een strijd tegen het vergeten en onverdraagzaamheid, en een diep rakend persoonlijk verslag van uw ervaringen met de vermenging van identiteiten om u heen en - bij nadere beschouwing - ook in uzelf.

Dames en heren, de essays van onze laureaten nemen ons mee naar delen van Europa waarover de meesten van ons te weinig weten. Desondanks is de problematiek die Magris en Michnik aan de orde stellen van cruciaal belang voor geheel Europa vandaag de dag en staat deze los van de geografische gebieden die hun specifieke uitgangspunt zijn. De Europese Unie staat voor de taak niet alleen nieuwe economieën te integreren, maar ook de culturen van Oost-Europa, die meer dan een halve eeuw van ons gescheiden zijn geweest. Met de Erasmusprijs van dit jaar brengen wij onze bewondering tot uitdrukking voor de twee oeuvres, die een blijvende invloed verdienen op ons denken over de Europese beschaving, een Europa namelijk als een mozaïek van culturele scheidslijnen. In het werk van Magris en Michnik vinden wij een visie op tolerantie in de praktijk die een uitdaging in zich bergt en een bron is van inspiratie.

Mijne heren, gewapend met moed en openheid van geest heeft u beiden wezenlijke menselijke dilemmas aan de orde gesteld. U heeft de netelige kwestie van het compromis en de noodzaak van tolerant gedrag diepgaand onderzocht. In een aansprekende, persoonlijke stijl onderzoekt u bestaansvragen als welke positie men moet innemen tussen de extremen van principiële overtuiging tegenover verraad, van fanatisme tegenover toegevendheid, of tussen de polen van utopia en ontgoocheling. Er is niet maar één, altijd geldig antwoord op deze vragen. Uw persoonlijk antwoord is het best te omschrijven met twee sleutelwoorden: verbeeldingskracht en ruimdenkendheid.

Dankwoord

Majesteit, Koninklijke Hoogheden, Excellenties, Dames en Heren,

Toen ik enige jaren geleden rondzwierf in een afgelegen vallei in Friuli in Italië, bezocht ik de bibliotheek van een van de locale Culturele Centra om te informeren naar een dichter die, zo'n honderd jaar geleden, een intrigerende Hymne aan de Materie had geschreven. Maar de bibliothecaris, die zich kennelijk niet kon voorstellen dat iemand naar een boek zou zoeken voor zijn eigen persoonlijke bevrediging, keek mij strak aan en vroeg botweg: "Maar wie vertegenwoordigt u?".
Ik had geen idee, toen, hoe ik deze vraag zou moeten beantwoorden. Ik zou hebben kunnen zeggen dat ik vele categorieën vertegenwoordigde: tweevoeters, leraren, echtgenoten, reizigers, vaders, zonen, flatbewoners, stervelingen ...   Ik had het gevoel dat het onfortuinlijke Zelf - mijn eigen, iedereen's - bezig was te veranderen in een soort stand-in. Niet voor niets ben ik geboren en getogen in Triëst, een stad van het Habsburgse Rijk dat het aroma heeft van mensen zonder eigenschappen: de stad waar Joyce zijn Ulysses begon, en Ulysses is, zoals wij weten, Niemand.

Maar vandaag - nu ik deze grote eer in ontvangst neem die mij bewezen wordt met de toekenning van de Praemium Erasmianum en nu ik zoveel weldadige dingen over mijzelf heb horen zeggen - weet ik wie ik vertegenwoordig. Ik vertegenwoordig al diegenen die mijn leven gebouwd hebben, die als jaarringen van een boom deel van mij zijn en zonder wie ik niet vele dingen zou kunnen hebben meegemaakt, begrepen, geschreven of gedaan, inclusief dat wat de aandacht getrokken heeft van de jury van deze prijs.
Ik denk aan de mensen in mijn leven - mijn metgezellen, ouders, zoons, leraren, vrienden -  die mij na zijn in goede en slechte tijden, die als zo vele broeders en zusters mij vergezellen naar het einde van de weg. Ik denk ook aan korte ontmoetingen, de mensen die, al was het maar door een glimlach of een uitdaging, mij hebben geholpen een fundamentele snaar van het leven te beroeren. Zonder hen zou ik hier niet zijn en dat helpt mij deze prijs te accepteren met dankbaarheid en nederigheid, de melancholie te overwinnen die ons ten midden van vreugde verrast wanneer de toekenning van een groot geschenk - zoals deze prijs - ons dwingt na te denken, de balans van ons bestaan op te maken en - zoals altijd - een tekort te ontdekken.
Ik ben dankbaar en trots vanwege deze prijs, en bijzonder gelukkig dat ik hem ontvang samen met dat symbool en belichaming van vrijheid, Adam Michnik, een van mijn oude vrienden die ik al lang bewonder zowel vanwege zijn boeken als vanwege de goede strijd die hij heeft gevoerd.
Bovendien verheug ik mij in de gedachte dat wanneer ik deze prijs ontvang, het is omdat ik in staat ben geweest - ondanks al mijn vergissingen - getuigenis af te leggen tegenover mensen wier prestaties en bestemmingen veel groter zijn, maar die ik niet kan scheiden van de mijne. Schrijven is voor mij het overbrengen van iets dat groter is dan jezelf, net zoals het avondlicht groter is dan het oog dat het desondanks opneemt. Daarom is het motto voor een van mijn boeken een parabel van Borges die over een artiest gaat die landschappen, bergen, zeeën, rivieren schilderde en tenslotte merkte dat hij zijn eigen gezicht geschilderd had. Ons gezicht is daar, buiten, in de wereld, met de trekken en het lot van anderen.

Dit heeft te maken met mijn persoonlijk poëtisch gevoel voor leven, maar ook, denk ik, met wat vandaag de dag misschien het centrale probleem van onze beschaving is: tolerantie. Om anderszijn werkelijk te accepteren en te respecteren, moet men het idee hebben dat de ander ook een deel is van ons, dat hij ons is, dat wij niet onszelf zouden zjin zonder hem. Tolerantie betekent niet alleen te weten hoe de grens te overschrijden die ons van de ander scheidt, maar ook hoe die grens te beschouwen als een brug, waarop wij heen en weer lopen, tussen de voorbijgangers, van de ene oever naar de andere, totdat wij niet meer weten in welk land wij zijn. Daardoor ontdekken wij opnieuw in mensen een welbehagen en het genot van de wereld.
Nooit eerder heeft tolerantie zo zeer betekend te weten hoe grenzen te verleggen of op te heffen om onszelf in anderen te hervinden. In de enorme mondiale smeltkroes, waar alle identiteiten versmelten, zullen wij verloren zijn wanneer wij ons niet dit vermogen aanleren onszelf in de ander te herontdekken. De kampmentaliteit brengt haat en dood. Wanneer de brug een ophaalbrug wordt, wordt de grens een idool - en idolen vragen bloedoffers. Maar tegelijkertijd zijn grenzen essentieel bij het bepalen en verdedigen van waarden, in het geval wij ons geconfronteerd zien met niet alleen maar verschillende, maar ook tegengestelde waarden, onverzoenlijke waarden die elke discussie weerstaan. Een liberaal kan en moet onderhandelen met een socialist, een christen met een atheïst; maar wie in de dialoog gelooft kan en moet niet onderhandelen met de racist of de uitroeier. Dit is het tragische dilemma van tolerantie, dat in zijn drang om zo vele valse grenzen van vooroordelen en fanatisme te overwinnen, het echte grenzen moet stellen tegenover fanatisme en onmenselijkheid.
Het wordt moeilijker tolerant te zijn in de context van een snel veranderende wereld. Er is zich tegenwoordig - in een paar jaar in plaats van millennia - waarschijnlijk een antropologische mutatie aan het voltrekken die de gevoelens en waarnemingen van het individu, zijn aard, de ervaring en de herinnering van zijn geschiedenis zal veranderen; die misschien een 'Uebermensch' zal produceren, zoals voorspeld door Nietzsche, eentje die niet de traditionele supermens is, maar meer een verdermens, bijna een nieuw stadium in de antropologische evolutie, een nieuwe vorm van het Zelf, niet langer de compacte eenheid, maar samengesteld - in Nietzsche's woorden - uit een 'anarchie van atomen', een fluctuerende veelheid van driften en psychische kernen die niet langer een hiërarchische eeuwenoude eenheidsstructuur van individualiteit en bewustzijn vormen.

De mens is, zoals Nietzsche schreef, een brug die overgestoken moet worden, en wij vandaag zouden best deze brug kunnen zijn, binnenkort gepasseerd. De mens van morgen kan iets anders zijn, helemaal verschillend in de manier waarop hij individualiteit, familie, sex, generaties ervaart. Misschien zal het onderscheid tussen de mens en de andere levensvormen in de natuur, waarop onze beschaving en onze ethiek gebaseerd zijn, betwijfeld worden. Misschien moeten wij onszelf, tegenover een of ander nieuw schepsel uit het laboratorium, de vraag stellen, die, hoewel in een andere betekenis, Primo Levi stelde: of dit een mens is. Intussen echter, zijn wij op deze brug, wij zijn deze brug, en wij willen niet het eeuwenoude gezicht zien verdwijnen van de mens, die wij geleerd hebben lief te hebben. Ons arme humanistische zelf, aangevallen van alle kanten, verdedigt zich als een guerilla tegen de legers van het grote. In dit proces - dat zowel verrijkt als verarmt, bevrijdt en bindt - zal het moeilijk zijn de grenzen van de tolerantie vast te stellen, wat te tolereren en wat niet, waartegen ja te zeggen en waartegen nee.

Maar soms wordt men bevangen door een vreselijke twijfel, de twijfel over de dialoog zelf en de doeltreffendheid ervan. Zoals men merkt in zekere pauzes, tekenen en stiltes in zijn debat met Luther over de Vrije Wil, ondervond Erasmus, de humanistische genius van tolerantie en dialoog bij uitstek, meer dan ieder ander deze specifieke twijfel. Hij verwijst naar een mysterieus gevoel dat hem oproept te twijfelen aan de strijd waarin hij desondanks al zijn energie stopt. De rationele humanist, die gelooft in de rede en het woord, doorziet dat wat er werkelijk toe doet besloten is vóór het woord, in de veranderende ongrijpbare diepten van het leven, in de duistere verwantschappen of verwerpingen die mensen onherroepelijk nader tot elkaar brengen of van elkaar vervreemden. Men wordt zich ervan bewust dat in een dialoog diegene overtuigd wordt die al overtuigd is, en dat het het lot van het woord en de rede is verkeerd begrepen te worden.

Dit bewustzijn is niet minder tragisch dan het Lutherse idee van zonde. De grootheid van Erasmus echter, bestaat in zijn vermogen deze twijfel om te zetten in een element van geloof in rede, in de symbiose die hij tot stand brengt tussen geloof en ironie, hetgeen ons helpt in wisselvalligheid en ons in staat stelt te leven. Nooit meer dan vandaag hebben wij - om niet gedeprimeerd te raken, zelfs wanneer de plaatselijke bibliothecaris ons ego in twijfel trekt - de deugden van Erasmus nodig gehad. Zijn terughoudendheid, zijn ontwijkende houding, zijn ironische glimlach zijn de uitdrukking van een beminnelijkheid die bewaard blijft, zelfs wanneer hij in de leegte ziet, of wat de leegte lijkt op dat moment. Zij zijn ook de uitdrukking van de geestkracht van iemand die, hoewel hij zich bewust is van het precaire karakter van zijn redeneringen, koppig de rede blijft volgen, omdat hij weigert te geloven dat die leegte de definitieve waarheid is.

Zo'n tolerantie en zo'n standvastigheid helpen ons op onze weg door de chaos van het leven, van de eerste tot de laatste onzekerheid. De mens, zo zegt een Chassidisch spreekwoord, komt uit stof en keert terug tot stof, maar in de tussentijd kan hij een goed glas wijn drinken.Wijn past bij prijzen. In 1619 ontving Ben Jonson een poëzieprijs die bestond uit een krat wijn om zijn verbeelding op te frissen. Van de royale Praemium Erasmianum zou ik een heel IJsselmeer met wijn kunnen vullen en een glas aanbieden aan al diegenen die - te beginnen bij mijzelf - hun fantasie voelen opdrogen. Majesteit, Koninlijke Hoogheden, Excellenties, dames en heren, al mijn goede vrienden, een van de vele mensen zonder eigenschappen dankt u uit het diepst van zijn hart voor de grote eer die Claudio Magris nu ontvangt.

Biografie

Claudio Magris (Triëst, 1939) is germanist (met als specialisatie het Oostenrijk van het eind van de 19e eeuw) en studeerde aan de universiteit van Turijn en diverse Duitse universiteiten. Als auteur en vertaler is hij een van Europa's meest vooraanstaande cultuurfilosofen. Van 1968 tot 1970 was hij als hoogleraar verbonden aan de universiteit van Triest; van 1970 tot 1978 aan de universiteit van Turijn, en sindsdien weer aan de universiteit van Triëst. Vanaf 1990 is hij directeur van de sectie 'Letterkundige taal en Wetenschappelijke taal' van het interdisciplinair instituut SISSA. Van 1994 tot 1996 was hij lid van de Senaat in de XIIe legislatuur van de Republiek Italië. Claudio Magris is lid van verschillende Italiaanse en buitenlandse wetenschappelijke akademies. Daarnaast is hij recensent en medewerker van de Corriere della Sera en diverse andere Europese dagbladen en tijdschriften. Als vertaler introduceerde hij in Italië het werk van Ibsen, Kleist, Schnitzler, Büchner en Grillparzer. Hij is de auteur van een groot aantal essays over Ibsen, Borges, Canetti, Rilke, Kafka en diverse duits- en anderstalige auteurs, en van een aantal romans, zoals Veronderstellingen aangaande een sabel (1993), Donau (1991), Een andere zee (1992) en Microcosmi (1998). Voor het laatste boek ontving hij in 1997 de Premio Strega, de meest prestigieuze literatuurprijs van Italië. Claudio Magris heeft een groot aantal binnen- en buitenlandse onderscheidingen en prijzen ontvangen en ere-doctoraten aan de universiteiten van Straatsburg, Kopenhagen, Klagenfurt en Szeged.

november 2001

Bruggen en Breuklijnen

Claudio Magris ontving de Erasmusprijs in 2001 in het thema van 'Culturele Breuklijnen'.