Oud-prijswinnaars

Olivier Messiaen

1971

De Franse componist en organist Olivier Messiaen (1908-1992), had al jong belangstelling voor de ritmiek van de oude Grieken, voor niet-Europese muzieksystemen en voor klanken uit de natuur. In 1931 werd hij organist van de St. Trinité te Parijs, een post die hij tot zijn dood in 1992 zou bekleden. Daarnaast werd hij hoofdleraar Harmonie en later ook Compositie aan het Conservatorium te Parijs. Zijn mystiek-religieuze levenssfeer gebaseerd op een onwrikbaar katholiek geloof wist hij op uiterst rationele wijze vorm te geven in zelf uitgedachte toonreeksen en ritmiek, waarbij slagwerk een belangrijke plaats inneemt. Hoewel hij nooit het twaalftoonstelsel gebruikte, experimenteerde hij wel met toonladders gebaseerd op andere elementen, zoals duur en articulatie. Door gebruik te maken van zijn synesthesie (het zien van kleur bij het horen van bepaalde harmonieën), van transcripties van de zang van vogels, door zijn opvatting van de relatie tussen tijd en muziek en zijn behoefte diepe religieuze ideeën uit te drukken, zijn de composities altijd herkenbaar als van Messiaen. Kenmerkend is ook zijn gebruik van de ‘ondes martenot’, een elektronisch instrument.
Met name door zijn orgelcomposities heeft hij een belangrijk aandeel gehad in het réveil op het gebied van de religieuze muziek. Zijn originele composities behoren tot meest authentieke uitingen van menselijke creativiteit in de 20e eeuw. Mede door zijn pedagogische gaven ondergingen vele jongere componisten zoals Boulez, Stockhausen, Xenakis, Ton de Leeuw en Shinohara zijn invloed. Messiaen heeft zeer vele werken gecomponeerd, waaronder de symfonie Turangalîla en Vingt regards sur l’enfant Jésus, een cyclus voor piano, Quator pour la fin du temps, La transfiguration de Notre Seigneur Jésus-Christ en de opera Saint-François d’Assise. Naast composities voor orkest, orgel, piano en zang publiceerde hij Technique de mon language musical (1942) en Traité du Rythme (1954).

De prijs is besteed aan een compositieprijsvraag voor een werk voor groot symfonieorkest, voor componisten tussen de 20 en 40 jaar. Het concours werd gehouden in 1973/4. De jury bestaande uit Olivier Messiaen zelf, Ton de Leeuw, Iannis Xenakis, Györgi Ligeti en Witold Lutoslawski bekroonde het werk Ausa van Davide Anzaghi. Tevens kon een uitvoering op het festival van La Rochelle gefinancierd worden van het stuk Mau Va Hoa, gecomponeerd door de tweedeprijswinnaar Nguyen Thien Dao.

Gronden van Verlening

De Erasmusprijs 1971 is toegekend aan Olivier Messiaen

  • omdat hij, geïnspireerd door muziekculturen uit andere continenten en door de klanken in de natuur, de Europese muziek zowel ritmisch als melodisch verrijkt heeft met nieuwe elementen;
     
  • omdat hij met name door zijn orgelcomposities een belangrijk aandeel heeft gehad in het réveil op het gebied van de religieuze muziek;
     
  • omdat hij door zijn muzikale concepties in het algemeen, door de brede horizon die door hem wordt bestreken en door zijn eminente pedagogiek, een grote invloed heeft uitgeoefend op vele jonge componisten en hen in staat heeft gesteld hun persoonlijkheid volledig te ontplooien;
     
  • omdat zijn muziek tot de meest authentieke uitingen van de menselijke creativiteit in de 20e eeuw behoort die zowel binnen Europa als daarbuiten grote waardering heeft ondervonden.

Laudatio

Cher maître,

Als ik aan uw adres een lofrede zou afsteken op de musicus, als ik de verdiensten en de kwaliteit van uw composities zou prijzen, dan zouden zij die mij kennen dit voor gelegenheidswoorden houden, want ik kan niet pretenderen met kennis van zaken te spreken over de muziek van deze tijd.
Maar, al ben ik dan geen deskundige in deze materie, vele jaren in het openbare leven hebben mij, dunkt me, enige ervaring met mensen gegeven. Daarom heb ik er niet naar gestreefd me in uw kwaliteiten van musicus te verdiepen, maar ik heb gepoogd de mens achter de kunstenaar beter te leren kennen.
De mens kennen, brengt mij tot de overtuiging dat wij de Erasmusprijs niet aan de musicus Olivier Messiaen toekennen, maar aan Olivier Messiaen zonder meer. Aan de man die een staalkaart van kwaliteiten bezit die ons met trots vervullen hem vandaag te mogen verwelkomen in het gezelschap van hen die hem zijn voorgegaan in de hommage aan hem wiens naam de prijs karakteriseert: Erasmus, de grote humanist.
Terwijl ik probeerde u beter te leren kennen, heb ik - met name dank zij uw fascinerende dialoog met Claude Samuel - met veel voldoening vastgesteld dat wij in elk geval één ding gemeen hebben: onze liefde voor de natuur. Maar ik erken tegelijkertijd uw genialiteit: die liefde heeft u geïnspireerd tot werken van zulk een artistieke waarde dat dit tot onze ontmoeting van vandaag geleid heeft. Sommigen menen dat uw belangstelling voor de natuur vertolkt wordt door het introduceren van vogelgezang in composities met een geheel nieuwe kleur. Ik kan hen uit de droom helpen: de gehele natuur met het geluid van de golven, met het brullen van stroomversnellingen en watervallen, met het huilen van de wind — is uw inspiratiebron. Voor u is de gehele natuur muziek.
Wanneer ik niettemin tot de levende wezens terugkeer, moet ik bekennen dat mijn persoonlijke belangstelling meer uitgaat naar soorten van een groter formaat, naar wilde dieren met inbegrip van de olifanten, maar hun stem zou een musicus misschien niet zo inspireren als het gezang van de vogels. Van dat gezang hebt u gezegd: „In de hiërarchie van de kunst zijn de vogels de grootste musici die er op onze planeet bestaan". Er bestaan 12.000 soorten vogels, waarvan elke soort zijn specifieke zang heeft. Een merel, een lijster, een nachtegaal zijn te onderscheiden als een Mozart, een Debussy, een Berlioz. Ze zingen wanneer ze verliefd zijn, ze zingen om hun gebied te verdedigen, maar ze zingen bovenal voor hun plezier, want, zo zegt u, het zijn kunstenaars.
Uit liefde voor deze kleine wezens, uit liefde voor de natuur, geïnspireerd door alles wat door God geschapen is, bent u componist-ornitholoog geworden. Begeleid door Yvonne Loriod, uw vrouw, trekt u 's morgens in alle vroegte er op uit over de wegen van Frankrijk, van India - of, tijdens uw huwelijksreis over de wegen van Japan - met uw kijker en muziekpapier om te werken terwijl de zangers u dicteren. U probeert hun melodieën vast te leggen, melodieën met een ingewikkeld ritme en van een oneindige verscheidenheid, die u niet wilt imiteren, maar vertalen, transponeren. Die muziek vertalen waarin u een ode aan de natuur hoort tijdens de avondschemering of bij het ochtendgloren, of waarin de angst van de nacht doorklinkt.
Door u ben ik er achter gekomen dat alle vogels tussen twaalf en één uur 's middags zwijgen. Ze hebben geen tijd want het is het uur van de lunch: op dit tijdstip zijn de vogels geheel in beslag genomen door de materiële beslommering hun jongen te voeren. Door u ook heb ik geleerd - en ik maak er voor onze toehoorders graag gewag van - dat voor vele vogels het zingen een aangeboren kunst is, maar dat het voor andere een kunst is die ze moeten leren. Vader vink leert aan zijn kinderen moeilijke trillers. Vaak struikelen de jonge vinken over de slotnoten - ze komen er niet uit en moeten opnieuw beginnen.
Geloof niet dat ik, door uit te weiden over het artistieke leven van de vogels, het domein van de huidige laureaat heb verlaten. Aan de componeerkunst in Europa hebt u - naast andere nieuwe en uitzonderlijke elementen - twee ritmische en melodische groeperingen toegevoegd, die door de meeste uwer confraters waren veronachtzaamd: de zang van de vogels en de uitheemse muziek.
Het is niet aan mij om na te gaan in hoever dit nieuwe waarden heeft bijgedragen aan de muziekcultuur van ons continent. Wel ben ik in staat een feit vast te stellen en mij daarover oprecht te verheugen: deze integratie is een luisterrijke bevestiging van de eenheid der schepping en een onloochenbaar bewijs - zij het vaak ontkend —- van het feit dat in de dialoog van de culturen elke partner de ander kan verrijken.
Als ik een poging onderneem om de etappes van uw levensweg kort te schetsen, zou men kunnen zeggen dat uw kunstenaarsbestaan vóór uw geboorte is begonnen: nog voor dat u werd geboren hebt u uw moeder, de grote dichteres Cécile Sauvage, geïnspireerd tot een gedichtencyclus getiteld L'ame en bourgeon. Zij, la dame de vos pensees, heeft een grote invloed gehad op uw vorming; zij heeft om u heen een gezinsklimaat gecreëerd waarin de poëzie van de natuur weerklank vond. Uw echte vaderland zijn de Alpen van de Dauphiné, die met hun majesteit en hun zuiverheid de inspiratiebron zijn geweest van uw geloof in God en uw intense belangstelling voor het mysterie van de schepping hebben gewekt. Tegelijkertijd hebben zij klaarblijkelijk in u een onverzadigbare leeslust opgewekt, want ik heb vernomen dat u tussen uw achtste en vijftiende levensjaar nagenoeg vierduizend boeken hebt verslonden. Een leeslust die u overigens niet heeft verlaten, want uw bibliotheek bestaat uit verscheidene duizendtallen boeken over de kunsten, de wetenschappen en andere gebieden. Alles interesseert u ... behalve de politiek. U bent ook geboeid door de kleuren, elke kleur roept in u een geluidstrilling wakker met een geheel eigen muzikaal karakter.
Elf jaar oud wordt u toegelaten tot het Conservatorium van Parijs. Tot uw leermeesters behoren Marcel Dupré, en Paul Dukas die - volgens uw eigen woorden - u de taal van de muziek leert ontwikkelen in een geest van nederigheid en onpartijdigheid. Twee kwaliteiten die overigens volkomen bij uw persoonlijkheid passen. U verzamelt een groot aantal eerste prijzen en op de leeftijd van 22 jaar wordt u de officiële bespeler van het orgel van de Trinité, een orgel dat u gedurende meer dan dertig jaar met toewijding zult bespelen. En menigmaal zult u de oude dames van de parochie ergeren met uw improvisaties die nieuwe revolutionaire wegen aangeven voor het orgel, wegen waaraan deze goede mensen slechts met de grootste moeite kunnen wennen. Ondertussen hebt u deelgenomen aan het concours voor de prix de Rome met een ode getiteld „Wij zijn broeders van de vogels". Toen reeds!
Het jaar 1936 - u bent dan 28 jaar - vormt een belangrijk moment in uw leven en in het muzikale leven van uw generatie. Met enkele collega's en vrienden sticht u de groepering „La Jeune France". Uw geloofsbelijdenis: een levende muziek propageren bezield door eerlijkheid, edelmoedigheid, artistiek geweten alsmede: zich ontdoen van elk leerstellig keurslijf, van elk systeem. Het instinctmatig gevoel stelt u boven het nadenken en de methodiek. Muziek maken op natuurlijke wijze, zoals een rozenstruik rozen maakt.
Dit is heel pril en niet altijd goed begrepen. Later zult u zeggen: ik wilde dat mijn muziek een beetje liefde bracht en ik heb slechts meningsverschillen en verdeeldheid opgewekt. Gelukkig zal er een dag komen waarop velen uw geestdrift en uw oprechtheid naar waarde zullen schatten.
Wanneer men zich verdiept in uw composities, uw denkbeelden en uw geschriften, komt men overal de natuur tegen en uw diep geloof in God. U zegt: „door te luisteren naar de natuur heb ik geheel alleen de muziek geleerd en op dezelfde manier heb ik God ontdekt". En later: „ik kan slechts datgene schrijven wat ik doorleefd heb". Een prachtig brevet van oorspronkelijkheid en authenticiteit, dat de musici zal brengen tot de uitspraak: muziek van Messiaen is altijd muziek van Messiaen.
Over de inspiratie zegt u iets heel treffends: „de inspiratie obsedeert ons als de liefde". En in deze zelfde geest kent u de melodie de haar toekomende importantie toe; soms lijkt u haar zelfs voorrang te verlenen boven het ritme. Is het uw erfgoed van moeders kant dat u aanspoort de melodie die nooit een element van poëzie ontbeert, zo hoog te plaatsen? Toch beschouwt u het ritme als de natuurlijke en primitieve kracht die bemiddelaar is tussen tijd en eeuwigheid. Het ritme is, volgens u, een beweging van opvlucht en van vallen, zoals een danser zich verheft en terugvalt.
Tussen al die elementen die uw hart beroeren: de melodie, het ritme en de betovering van de natuur, bent u bij machte geweest een harmonisch evenwicht te creëren. En dat alles gesteund door een muzikale techniek die Yvonne Loriod deed zeggen: „voor de piano is het Messiaen die alles gevonden heeft".
Laat ik nog even terugkomen op de religieuze muziek. Zo juist hebt u gehoord, dat de vernieuwingen die u daarin hebt weten in te voeren, zowel door middel van het orgel als door uw orkestwerken, een van de redenen is geweest om u de prijs toe te kennen. De religieuze muziek hebt u willen bevrijden uit het eeuwenoude keurslijf van de gebouwen die waren opgetrokken voor de eredienst. Uw compositie „Et j'attends la résurrection des morts" heeft een meesterlijke uitvoering gehad in de Sainte Chapelle, onder het stralend lichtspel van de schoonste gebrandschilderde vensters van Parijs. En toch. Toch is uw liefste wens voortdurend geweest een uitvoering van dit werk in de open lucht, in het hooggebergte, tegenover de magnifieke gletsjer van de Meije, waar, met de weerschijn van de zon op het ijs, de helderheid van dit uitzonderlijk decor in overeenstemming zou zijn geweest met de klaarheid van uw creatie en van uw eerbewijs aan God.
Zo langzamerhand tekent zich voor ons af: de man. De man die als krijgsgevangene met zijn edelmoedigheid en zijn kameraadschappelijkheid zijn makkers een hart onder de riem stak. De eenvoudige man die zich meer op zijn gemak voelt met zijn baskenmuts en in zijn sporthemd dan in het zogenaamde „wandelkostuum". De man met zijn zachte stem en zijn spontane lach. De man die even gevoelig is voor de menselijke als voor de goddelijke liefde, want voor hem is de eerste een weerspiegeling van de tweede. De man die er zich niet voor geneert een romanticus te zijn, zich bewust van de luister van de natuur, zich bewust van de grandeur van het goddelijke. De man, schepper en idealist, die meer belang stelt in het innerlijk van zijn naaste dan in zijn dagelijkse bezigheden. De man die alles ernstig neemt, niets licht opvat, die de dapperheid mint maar niet de vernieling, die ademt en spreekt in muziek, maar die het betreurt, dat niet verwacht en opgelegd muzikaal lawaai vandaag de activiteiten van het gezin blijken te moeten begeleiden, de stilte vernietigend waarin de gedachte wordt geboren.
Deze beminnelijke man, helder, meditatief, altijd open voor anderen, zelf aangeraakt door de gave voor ritme en melodie, moest wel een groot leermeester worden, een groot pedagoog.
Als docent aan het Conservatorium van Parijs heeft hij zich het vertrouwen en zelfs de verering weten te verwerven van de hem omringende jongeren. Zijn menselijke warmte, zijn diepgewortelde liefde voor de jeugd waren troeven. Aan die troeven moet ik nog toevoegen zijn volstrekte eerbied voor de persoonlijkheid. Nimmer heeft hij een dogmatisch en exclusieve invloed op zijn leerlingen willen uitoefenen. Integendeel, hij wil juist in hen de artistieke gaven opwekken die elk van hen eigen zijn. Zijn colleges in analyse, die in ritmiek - vernieuwingen van de eerste orde - hebben over de gehele wereld een grote naam verworven. Hij ging een dialoog aan - en doet dat nog steeds - met de leerlingen die uit de gehele wereld zijn gekomen. Zijn klas is een levende cel, waarvan hij gezegd heeft: „zij vinden het heerlijk om te discussiëren en ruzie te maken!" Met name twee van zijn leerlingen zijn op hun beurt beroemd geworden: Pierre Boulez - mijn grootste leerling, zegt u - en Stockhausen, beide uitnemende voorbeelden van de vernieuwing waartoe u hebt geïnspireerd en gestimuleerd sedert de vijftiger jaren. En dan nog deze uitspraak over uw leerlingen: „ik houd van hen allemaal, of ze nu vriendelijk, teder, wild, opstandig of vredelievend zijn".
Toch is er één leerlinge, eveneens zeer begaafd, over wie ik meer in het bijzonder wil spreken en tot wie ik mij bovendien persoonlijk kan richten, Yvonne Loriod, in het burgerlijke leven Madame Olivier Messiaen.
Men kan niet over Olivier Messiaen praten zonder een heel grote plaats te reserveren voor zijn metgezellin en vertolkster, Yvonne Loriod. De musici onder u weten dat de composities van Messiaen, evenals die van Debussy - een andere minnaar van de natuur en van het ritme - niet gemakkelijk, beter gezegd: soms zeer moeilijk zijn uit te voeren. In deze composities speelt de piano een rol van de eerste orde. Messiaen heeft zich klaarblijkelijk door niets laten weerhouden, door geen enkele complicatie, door geen enkele technische moeilijkheid, want hij wist dat zijn onvergelijkelijke vertolkster Yvonne Loriod het, dank zij haar ongehoorde mogelijkheden zou klaren met al zijn pianistische buitensporigheden. Messiaen zegt: "zij kan alles".
Wat zij óók vermag - maar Messiaen is er de man niet naar om er over te spreken - is om met hem een perfekte eenheid te vormen; de genialiteit van elke partner vult die van de ander aan, twee wezens die waren voorbestemd om elkaar te ontmoeten en zich te verenigen.
Mon cher monsieur Messiaen, ik wens onze Stichting geluk met de onderscheiding van een man die het volledig verdient een plaats in te nemen temidden van hen die wij eren onder het schild van Erasmus. U wens ik geluk met dit lange leven van waardevolle artistieke creativiteit en van bezielende inspiratie voor vele jongeren. Ik wens u toe dat u dit leven lang zult mogen voortzetten, met uw geliefde Yvonne Loriod, uw metgezellin, echtgenote en vertolkster.

Dankwoord

Majesteit, Koninklijke Hoogheden, Dames en Heren,

Dat ik onder de grote naam van Erasmus zoveel opmerkelijke persoonlijkheden opvolg, treft me zeer. Het ontroert mij des te meer omdat, zo mij al landgenoten in deze eer zijn voorgegaan, ik naar ik meen wel de eerste musicus ben, die zijn plaats gaat innemen in een luisterrijke opeenvolging, waarin tot op heden schrijvers, schilders, beeldhouwers, filosofen, theologen, staatslieden en geleerden hun plaats kregen toegewezen.
Zijne Koninklijke Hoogheid heeft mij zeer mooi toegesproken, hetgeen mijn ontroering nog eens zo groot maakt en ik zeg hem uit de grond van mijn hart: ik dank U!
Mag ik er meteen aan toevoegen dat dit niet de eerste keer is dat ik in Nederland kom, en dat ik er altijd ben gekomen met mijn muziek? Mijn eerste reis naar Amsterdam vindt plaats in 1944: Yvonne Loriod begeleidde mij en wij moesten mijn Visions de l'Amen voor twee piano's spelen, een compositie die we enkele dagen later opnieuw moesten spelen in Hilversum. In 1965 dirigeerde Roberto Benzi l'Ascension voor groot orkest te Scheveningen, Arnhem en Amsterdam. In 1966 kwam ik opnieuw in Nederland voor mijn Trois Petites Liturgies voor koor en orkest, met een pianosolo van Yvonne Loriod en de Ondes Martenot bespeeld door Jeanne Loriod, het geheel onder leiding van André Rieu, te Venlo, Heerlen en Maastricht. Het volgende jaar (1967) dirigeerde Charles de Wolff hetzelfde werk in Groningen, Hengelo en Gouda. Eveneens in 1967, op 22 april, gaf Jean Fournet een voortreffelijke uitvoering van Turangalîla-Symphonie voor een zeer groot orkest. Aan het einde van het concert gaf de vereniging van moderne kunstenaars in Nederland mij een zeer mooi boek over Nederland ten geschenke, dat in mijn bibliotheek een ereplaats inneemt naast vele werken over Rembrandt, Frans Hals, Vermeer en Ruysdael. In 1968 en 1969 dirigeerden Charles de Wolff en Bernard Haitink Et Expecto Resurrectionem Mortuorum in Zwolle, Amsterdam en Scheveningen. De allerlaatste keer tenslotte ben ik naar Amsterdam gekomen op 17 januari 1971, om aldaar mijn Sept Haï-Kaï te beluisteren, onder de directie van Friedrich Cerha, met Yvonne Loriod als pianosoliste — Sept Haï-Kaï dat wij zo dadelijk opnieuw gaan beluisteren met dezelfde dirigent en dezelfde soliste.
Sta mij toe hier een woord van dank te richten aan alle musici die aan het concert van vanavond meewerken en die zich bij voortduring wijden aan de zaak van de hedendaagse muziek en van de mijne in het bijzonder.
Men heeft mij gevraagd een geloofsbelijdenis uit te spreken. Dit komt er op neer, dat ik zeg wat ik geloof, waar mijn liefde naar uitgaat en wat ik hoop.
Wat geloof ik? Dat is gauw gezegd en alles wordt er in een keer mee gezegd: ik geloof in God. En omdat ik in God geloof, geloof ik noodzakelijkerwijze in de Heilige Drie-eenheid, en derhalve aan de Heilige Geest (aan wie ik mijn Messe de la Pente-côte heb gewijd), en derhalve aan de Zoon, aan het vlees geworden Woord, aan Jezus Christus (aan wie ik een groot deel van mijn composities heb gewijd, van de Nativité voor orgel, geschreven in 1935 en de Vingt Regards sur l'Enfant-Jésus voor piano, geschreven in 1944, via de Trois Petites Liturgies en de Quatuor pour la fin du Temps, tot de Transfiguration, voor groot gemengd koor, zeven instrumentale solisten en een zeer groot orkest, gereedgekomen in 1968).
Wat hoop ik? Dat heb ik uitgesproken in de Corps glorieux voor orgel, in de Couleurs de la Cité heb ik het opnieuw met kracht bevestigd, in Et expecto Celeste voor piano, blaasorkest en slagwerk, en in resurrectionem mortuorum voor orkest van koper- en houtblazers en metalen slagwerk.
En nu moet ik zeggen waar ik van houd - en dit zal een wat langer verhaal zijn... Om te beginnen houd ik van de Tijd, omdat hij het uitgangspunt is van de gehele Schepping. De Tijd veronderstelt verandering (dus de materie) en beweging (dus de ruimte en het leven). De Tijd doet ons de Eeuwigheid begrijpen door de tegenstelling. De Tijd zou de vriend moeten zijn van alle musici. Toen men mij vijfentwintig jaar geleden een klas voor analyse van het ritme toevertrouwde aan het Conservatorium van Parijs, was mijn eerste zorg het mijn leerlingen bijbrengen van een filosofie van de tijdsduur. Wat is er nuttiger voor een musicus dan een betrekking tot stand te brengen tussen de beweging en de verandering, dan te begrijpen hoe de herinnering werkt, alsmede dat het heden door de tijdsduur slechts een toekomst is, die voortdurend tot verleden wordt omgezet? Nog belangrijker zal zijn het kennen van de ons omringende tijden die elkaar overlappen: de onmeetbaar lange tijd van de sterren, de zeer lange tijd van de bergen de gemiddelde tijd van de mens, de korte tijd van de insecten, de zeer korte tijd van de atomen (om nog maar niet te spreken van de tijden, die in ons samengaan: de fysiologische tijd en de psychologische tijd): wanneer de componist in zijn muziek het mechanisme van de tempowisselingen aanbrengt, zal hij zich die verschillende traagheden en die verschillende snelheden herinneren...
De Tijd wordt verdeeld door het Ritme. Ik houd dan ook in het bijzonder van het ritme. Om die reden heb ik met mijn leerlingen de arsis en de thesis in het gregoriaans bestudeerd, de accentuering bij Mozart en bij Debussy en de ritmische personages bij Strawinsky. Om die reden ook heb ik een van de langste hoofdstukken van mijn Traité de rythme aan het Griekse metrum gewijd: logaoedische verzen, Sapphische verzen, dactyli en epitriti bij Pindaros, verschillende vormen van de dochmius en hun voortleven in de 16e eeuw, in Le Printemps van Claude Ie Jeune.
Een ander zeer lang hoofdstuk van mijn Traité de rythme geeft een uitvoerige uiteenzetting van de 'Decî-Tâlas', regionale ritmen in het oude India. Ik heb me bediend van de benamingen van de 120 ritmen of 'Tâlas' die worden opgesomd in de volumineuze Sangîtaratnâkara, een werk van de grote hindoe theoreticus uit de 13e eeuw: Cârngadeva - en ik heb gepoogd voor elk ritme terug te vinden: de poëtische, kosmische en religieuze betekenis van zijn naam in het Sanskrit - het aantal 'mâtrâs' of waarde-eenheden waarin de 'tâla' kan worden verdeeld - de muzikale toelichting op de 'tâla' en ritmische wetten die zich uit dit ritme laten vaststellen. Het was een lange en moeilijke arbeid die ik geheel alleen heb volbracht. Het bevestigde meer dan eens hoe goed gefundeerd mijn eigen onderzoek van de ritmiek was, terwijl het mij onophoudelijk nieuwe horizonten opende, zowel wat betreft het ritme als wat betreft de tijdsfilosofie.
Ik kan het Ritme niet verlaten zonder gewag te maken van twee werkwijzen die mij dierbaar zijn. De musicus bezit een mysterieuze macht: hij kan door zijn ritmiek de tijd in mootjes hakken waar hij maar wil en hem zelfs in achterwaartse beweging laten verlopen, min of meer alsof hij zich voortbeweegt op verschillende punten van de tijdsduur, of alsof hij de toekomst opeenhoopt door zich naar het verleden te begeven - en alsof zijn herinnering van het verleden zich omzet in herinnering van de toekomst. De 'Permutations symétriques' en de 'Rythmes non-rétrogradables' maken gebruik van dit vermogen, terwijl ze er toch tegenin werken. Men vindt 'Permutations symétriques' in mijn Chronochromie voor groot orkest. Om het nut er van te begrijpen moeten we ons herinneren dat het aantal mogelijke permutaties bij meerdere objecten geweldig sterk toeneemt, wanneer men er een nieuwe eenheid bijvoegt. Zo heeft het getal 2 slechts 2 permutaties, het getal 5 heeft er 120. Als we doorgaan tot het getal 12, dan bezit dit laatste getal 479 millioen, 1.600 mogelijkheden tot verschikking. De 'Permutations symétriques' gaan ons in staat stellen de gelijkenissen, de nodeloze partiële herhalingen achterwege te laten en te werken met een veel kleiner aantal permutaties.
Hun werkwijze is eenvoudig; de chromatische tijdsduren worden steeds in dezelfde richting genummerd en gelezen.
Laten we overgaan tot de 'Rythmes non rétrogradables'. Al geruime tijd gebruikt men in de decoratieve kunstvormen (architektuur, tapijtweverij, gebrandschilderde ramen, bloemengazons) omgekeerd symmetrische motieven, geschikt rond een vrij centrum. Deze schikking vindt men terug in de nerven van boombladeren, in de vleugels van vlinders, in het gezicht en het lichaam van de mens en zelfs in de formules van de magie.
Het 'Rythme non-rétrogradable' doet precies hetzelfde. Het zijn twee groepen van tijdsduren, waarbij de ene groep achterwaarts gaat ten opzichte van de andere en ze een centrale waarde omlijsten die vrij is en gemeen aan de beide groepen. Lezen we nu het ritme van links naar rechts of van rechts naar links, de ordening van zijn tijdsduren blijft gelijk. Het is een volmaakt gesloten ritme. Men zal opmerken dat we in de 'Rythmes non-rétrogradables' evenals in de 'Permutations symétriques' op een onmogelijkheid zijn gestoten. Het is onmogelijk achterwaarts te gaan omdat het ritme in zichzelf een symmetrie besloten houdt die zich daar tegen verzet. Het is onmogelijk meer te verschikken omdat onze orde van lezen (altijd dezelfde) ons onverbiddelijk naar het vertrekpunt heeft teruggevoerd. Deze onmogelijkheden verlenen het ritme een grote macht, een soort explosieve kracht — ik zou haast zeggen een magisch vermogen. Dezelfde potentie bij de gratie van de onmogelijkheid manifesteert zich in mijn Modes à transpositions limitées, maar hier verlaten we tijdsduren om het domein van de klanken te betreden; de potentie krijgt kleur en we moeten nu overgaan naar een andere liefde van mij: die voor de kleur en voor de klankkleur.
Wanneer ik muziek beluister, zie ik daarmee overeenstemmende kleuren. Wanneer ik muziek lees (die ik inwendig beluister) zie ik corresponderende kleuren. Het betreft hier niet een zintuiglijk zien, in de geest van die gevaarlijke en afzichtelijke zinsbegoochelingen als de hallucinaties, die door de mescaline worden opgewekt. Evenmin gaat het hier om die merkwaardige ziekte die Blanc-Gatti (de schilder in klanken) de 'synopsie' noemde en die een synesthesie in haar meest voorkomende vorm was: spontane associatie van visuele en gehoorservaringen. Het betreft hier een innerlijk zien, met het oog van de geest. Het zijn wonderbaarlijk mooie, niet te beschrijven en buitengewoon gevarieerde kleuren. Naar gelang de klanken zich roeren, veranderen, zich bewegen, bewegen deze kleuren zich met de klanken in voortdurende verandering. Ongetwijfeld zijn er constanten in deze wederzijdse betrekking: bepaalde samenvoegingen, bepaalde accoorden, bepaalde klankencomplexen zullen, wanneer ze opnieuw worden beluisterd in dezelfde schikking en dezelfde samenhang, altijd weer dezelfde kleurencombinaties geven. Mijn tweede 'mode à transpositions limitées' bijvoorbeeld heeft in zijn eerste transpositie als dominerende kleur: een blauwpaars. Mijn derde 'mode' heeft in zijn eerste transpositie als overheersende kleuren: oranje, goud en melkachtig wit. Dezelfde modus is grijs en lichtpaars in zijn tweede transpositie, blauw en groen in zijn derde. En mijn vierde 'mode' heeft in zijn vijfde transpositie een fel paars.
Ik heb zojuist enkele 'klankkleuren' aangegeven. Inderdaad, de hoge en lage registers, de verschillen in toonkleur, de dynamiek (van pianissimo tot fortissimo), de bewegingen (van zeer langzaam tot de uiterste snelheid): dit alles beïnvloedt de kleurenvariaties — en als men daar nog aan toevoegt de buitengewone veelvoudigheid van klanken in de loop van een concert, zal men licht begrijpen dat de betrekking klankkleur voor alles iets beweeglijks, iets veranderlijks, iets vluchtigs is. Die betrekking is bovendien volkomen subjectief. In mijn speciale geval zal ik bepaalde literaire en artistieke invloeden, bepaalde emotionele ervaringen uit mijn kindertijd niet loochenen. Mijn liefde voor vlinders en voor kostbare stenen ligt - om maar iets te noemen -in die ervaringen besloten. En wat moet ik zeggen van mijn verbijstering toen ik als tienjarig jongetje voor de eerste keer de gebrandschilderde ramen zag van de Sainte Chapelle? Een verbijstering, die zou blijven bestaan in Chartres, in Bourges, elke keer wanneer ik nieuwe roosvensters, nieuwe kerkramen, nieuwe gebrandschilderde vensters tegenkom — verbijstering die nog sterker is geworden bij het lezen van de Apokalyps, met zijn verblindende onwereldse kleuren die evenveel symbolen zijn van het goddelijke licht. En ik kan niet deze hoofdpersoon in mijn leven vergeten, deze machtige en lichtende Engel, die het 'einde van de Tijd' aankondigt en die nu juist een regenboog als aureool heeft!
De laatste liefde die ik wil vermelden is die voor de vogels. Iedereen weet dat ik ornitholoog ben en welk een grote plaats het gezang van de vogels in mijn oeuvre inneemt. De vogel is bewonderenswaardig, van welke kant men hem ook bekijkt: de verscheidenheid der soorten, de kleuren van de verschillende pluimages, het verschijnsel van de trek (nog onvoldoende verklaard), het drievoudig zien (met twee ogen vooruit, met één oog links en rechts) en zo vele andere aanleidingen voor vreugde en verwondering! Het grootste van deze wonderen — het kostbaarste voor een componist - is de zang. Zonder te spreken over de kreten die een soort seinentaal zijn, een verstaanbare taal, kan men zeggen dat er drie soorten van vogelgezang zijn: de eigendomszang, die zegt: „de tak is van mij, het wijfje is van mij, het voedselgebied is van mij" - de zang van het verleiden, bestemd om het vrouwtje te overrompelen en over te halen - het gezang van de vroege ochtend en van de avondschemering (het mooiste, meest artistieke van alle) hymne aan het licht dat geboren wordt en aan het stervende licht, magnifieke groet aan de kleuren van de opkomende en van de ondergaande zon. Elke vogelsoort maakt gebruik van een eigen esthetica. De roofvogels, de raafachtigen, de nachtvogels, de zeevogels, de moerasvogels, bezitten slechts een min of meer lange roep, die min of meer verfijnd is en altijd verrast door timbre en klankkleur. De vinkachtigen, de gorzen, de boszangers en het winterkoninkje, bezigen de strofe. Het lachen van de groene specht is eveneens een strofe — de meeste spechten maken bovendien gebruik van een slagwerk: het getrommel. De echt grote zangers maken frasen, cadensen en zelfs solo's van nagenoeg een half uur. Het zijn bijna alle lijsterachtigen (lijsters, merels, roodborstjes, de nachtegaal). Voorts de Sylviidaeën (Bastaardnachtegaal, rietzanger) en de Alaudidaeën (leeuwerikken).
Jarenlang heb ik de gewesten van Frankrijk doorkruist en elke lente het gezang genoteerd van nieuwe vogels in nieuwe landschappen: gezang van grote solisten die typerend waren voor de gekozen streek, gezang van hun medebewoners van de streek, contrapunt in het gezang over en weer. Uit die notities is mijn Catalogue d'oiseaux voor piano geboren. In de loop van mijn reizen in het buitenland, op toernee, tussen de concerten door, heb ik geprofiteerd van de ogenblikken van respijt om opnieuw vogelgezang te noteren. Zo heb ik mijn Oiseaux exotiques kunnen schrijven, een werk dat het gezang der vogels van India, China, Maleisië en beide Amerika's benut. Een concertreis in Japan met Yvonne Loriod heeft me in de gelegenheid gesteld talrijke Japanse vogels te beluisteren en te noteren. Aan die reis heb ik de Sept Haï-Kaï overgehouden, die vanavond op het programma staat. In de Sept Haï-Kaï — evenals in mijn Chronochromie voor groot orkest en evenzo in het overgrote deel van mijn composities, is een soort conflict gaande tussen de stiptheid en de vrijheid. Evenals mijn tijdgenoten heb ik mij aan het onderzoeken gezet en ik ben zelfs de eerste geweest, die een nauwelijks te evenaren reeks van tijdsduren, intensiteiten, toonhoogten, attaques en tempi heeft gemaakt. Maar ik ben vrij man gebleven en behoor tot geen enkele school. En deze vrijheid, het zijn, geloof ik, de vogels geweest die me hebben geholpen om die niet te verliezen. De vrijheid is voor de kunstenaars noodzakelijk. Door het kiezen van haar toekomsten, brengt de vrijheid nieuwe verledens bijeen, en dat is het wat ons maakt tot wie we zijn. Dat ook maakt de stijl van de kunstenaar, zijn eigen manier, zijn signatuur. Uw grote Rembrandt bijvoorbeeld, is onder zeer velen herkenbaar door de manier waarop hij de licht- en de schaduwpartijen verdeelt. Het mysterie, het bovennatuurlijke van Rembrandt zijn te danken aan zijn verbluffend mooie lichtpartijen: daar waar ieder ander min of meer mystieke symboliek of een uitvoerige theologische uitleg nodig zou hebben gehad, is een enkele lichtpartij voldoende en alles wordt gezegd over het onderwerp. Ik ben er van overtuigd, dat hij tot deze welsprekendheid met het licht is gekomen, dank zij zijn grondige vrijheid.
Er rest mij nog het woord vrijheid in de ruimste betekenis te nemen. De vrijheid waar ik over spreek, heeft niets te maken met het bizarre, de wanorde, de opstandigheid of de onverschilligheid. Het gaat hierom een opbouwende vrijheid, die men verwerft door zelfbeheersing, eerbied voor andere mensen, het zich verbazen over wat geschapen is, de overdenking van het mysterie, het zoeken naar de Waarheid. Deze bewonderenswaardige vrijheid is een voorproef van de hemelse vrijheid. Christus heeft zijn discipelen die vrijheid beloofd, toen hij sprak (hoofdstuk acht van het Evangelie van Johannes): „Indien gij in mijn woord blijft, zult ge de Waarheid kennen, en de Waarheid zal U vrij maken".