Oud-prijswinnaars

Péter Forgács

2007

Aan de Hongaarse mediakunstenaar Péter Forgács (1950) werd de Erasmusprijs toegekend vanwege de originele manier waarop hij met zijn documentaire filmwerk heeft bijgedragen aan de overdracht van cultuur en de herinnering aan het verleden. Het thema van de Erasmusprijs was ‘Cultuur en historisch bewustzijn’: hoe wordt de geschiedenis levend gehouden en hoe wordt het verleden overgedragen op jongere generaties. Péter Forgács heeft een grote verzameling van amateur- en familiefilms opgebouwd en deze toegankelijk gemaakt voor wetenschappelijk onderzoek en kunstzinnige inspiratie. Op basis van dit ‘gevonden’ filmmateriaal heeft Forgács een indrukwekkend filmoeuvre geschapen. Zijn films zijn geen documentaires in de gebruikelijke zin van het woord, maar nieuwe creaties die gebruik maken van documentair materiaal. Zij leggen een relatie tussen het persoonlijke leven van gewone burgers en de belangrijkste gebeurtenissen in de twintigste-eeuwse geschiedenis en roepen zo de herinnering op aan periodes van onderdrukking en totalitarisme. Door zijn kunstige en kunstzinnige manipulatie van het materiaal dat hem ter beschikking staat, doet Forgács een sterk beroep op ons cultureel geheugen en zet de toeschouwer ertoe aan na te denken over de wereld van nu. Zijn belangrijkste films zijn de nu twaalfdelige serie Private Hungary, Maalstroom, Donau Exodus en El perro negro.

Gronden van Verlening

Artikel 2 van de Statuten van de Stichting Praemium Erasmianum luidt als volgt:
Het doel van de Stichting is, binnen de context van de culturele tradities van Europa in het algemeen en het gedachtegoed van Erasmus in het bijzonder, de geestes- en maatschappijwetenschappen en de kunsten te bevorderen en de positie van deze gebieden in de maatschappij te versterken. De nadruk ligt hierbij op tolerantie, cultureel pluralisme en ondogmatisch, kritisch denken. De Stichting streeft ernaar dit doel te bereiken door het toekennen van prijzen en op andere manieren; een geldprijs wordt toegekend aan een persoon of instelling onder de naam Erasmusprijs.

In overeenstemming met dit artikel heeft het bestuur van de Stichting Praemium Erasmianum besloten om de Erasmusprijs voor het jaar 2007 toe te kennen aan Péter Forgács. De Prijs wordt hem toegekend op de volgende gronden:

  1. Forgács heeft een grote verzameling van amateur- en familiefilms opgebouwd en deze toegankelijk gemaakt voor wetenschappelijk onderzoek en kunstzinnige inspiratie.
     
  2. Op basis van dit gevonden filmmateriaal heeft Forgács een indrukwekkend film oeuvre geschapen, films die belangrijke en pijnlijke episodes in de geschiedenis van de twintigste eeuw aansnijden, films die mensen ertoe aanzetten na te denken over de wereld van nu.
     
  3. Zijn films leggen een relatie tussen het persoonlijke leven van gewone burgers en de belangrijkste gebeurtenissen in de twintigste-eeuwse geschiedenis en roepen zo de herinnering op aan periodes van onderdrukking en totalitarisme.
     
  4. De films die het product zijn van zijn kunstige en kunstzinnige manipulatie van gevonden materiaal doen een sterk beroep op ons cultureel geheugen. Zij vormen een voortreffelijk voorbeeld van de wijze waarop de herinnering levend gehouden kan worden en cultuur kan worden overgedragen op volgende generaties.
     
  5. Het film oeuvre van Péter Forgács wordt gekenmerkt door een kritische analyse van de bronnen en een ondogmatische, open houding ten opzichte van de verschillende percepties van historische waarheid in Europa. Deze Erasmiaanse waarden maken duidelijk deel uit van Forgács’ intellectuele en persoonlijke benadering van het onderwerp van zijn films.

Laudatio

Dames en heren,

Het is een pijnlijke vorm van intimidatie om de bakens van de geschiedenis van een volk te verwoesten. Tijdens de Balkanoorlogen van de jaren negentig zijn historische monumenten doelwit geweest van opzettelijke vernietiging. De beroemde zestiende-eeuwse brug van Mostar werd verwoest in 1993, en niet alleen om militaire, strategische redenen. Het was een functionele brug, maar ook een trots ikoon van islamitische architectuur en een symbool van islamitische cultuur in de geschiedenis van de Balkan.
Hij is weer opgebouwd in de afgelopen jaren. Aan het eind van de Tweede Wereldoorlog lagen vele steden in Europa in puin. Bij de wederopbouw na de oorlog werden de overgebleven bouwwerken vaak als kenmerken van hun cultuur meegenomen. Als er tenminste iets over was. Warschau bijvoorbeeld werd geheel verwoest door de Duitsers, onder de ogen van het Rode Leger dat aan de andere kant van de rivier afwachtte. Na de oorlog hebben de burgers van Warschau, in een gezamenlijke inspanning hun hoofdstad weer op te bouwen, het gehele oude stadscentrum gereconstrueerd, als een exacte replica van wat het voor de oorlog was. De grote, uit de zesde eeuw daterende Buddha standbeelden in Afghanistan werden door de Taliban regering beschouwd als on-islamitisch en opgeblazen in 2001. De huidige Afghaanse regering en internationale organisaties – die de waarde van die beelden als cultureel erfgoed inzagen – beijveren zich nu voor de wederopbouw.

Ik geef deze voorbeelden om de onvermijdelijkheid te illustreren van wat we met een Engelse term ‘Cultural Memory’ noemen, het thema van de Erasmusprijs dit jaar. Het heeft betrekking op de manier waarop we, zowel in psychologische als praktische zin omgaan met onze geschiedenis, of zo u wilt, met ons cultureel erfgoed. Dit erfgoed omvat gebouwen, standbeelden en monumenten, evenals de gebeurtenissen die zij symboliseren. Monumenten zijn bedoeld om de herinnering op te roepen aan gebeurtenissen die als betekenisvol gevoeld werden. Maar wat betekenisvol en waardevol is voor de ene groep hoeft dat niet te zijn voor de andere. Bovendien verandert onze waarneming van de geschiedenis naar gelang de tijd verstrijkt. Ons cultureel erfgoed is niet een boek met een vastliggende vorm en inhoud. Het is tot op zekere hoogte steeds in beweging. Om die reden is ‘Cultural Memory’ dan ook een slagveld, waar emotie en controverse hoogtij vieren.
De huidige discussies over wat tot de nationale canon behoort spitsen zich toe op de vraag wat we belangrijk genoeg vinden om over te dragen op de volgende generaties. Maar de zaak is ingewikkeld. Wat willen we behouden, voor wie, en tegen welke prijs? Vele beroepsbeoefenaren houden zich met deze vraag bezig. Onderzoekers, kunstenaars, journalisten, activisten, politici en bedrijfsleven. Hun gedachten over welke cultuurmonumenten het waard zijn bewaard te worden stemmen niet noodzakelijkerwijs overeen. Een voorbeeld daarvan is de recente beslissing in Nederland om een groot aantal na-oorlogse architectonische hoogtepunten als cultuurmonumenten te bestemmen, en de gemengde reacties die daarop volgden. Het is goed dat men zich realiseert dat ons cultureel historisch bewustzijn van nature instabiel is, en zich steeds omvormt onder druk en invloeden uit verschillende hoeken. Dat mag dan een ‘ongemakkelijke waarheid’ zijn, maar het is een proces dat op zichzelf aandacht verdient in een wereld waar het ‘Bildungsideal’ passé is en vervangen door een wijdverbreide, snelle vergeetachtigheid.

Gelukkig hebben we musea, bibliotheken en archieven die ons helpen de herinnering levend te houden of weer op te wekken. Datzelfde geldt voor historici, biografen, romanschrijvers en schrijvers van memoires. Allen bereiken ze een breed algemeen publiek en vervullen een gewichtige rol in de overdracht van cultuur en het tot leven brengen van de geschiedenis.
Ook kunstenaars spelen daarin een rol. Er zijn artiesten die op creatieve manier gebruik maken van cultureel erfgoed als materiaal voor oorspronkelijke werken van hedendaagse kunst. Picasso was beïnvloed door Afrikaanse kunst en Van Gogh door Japanse prenten. Een interessante illustratie van artistieke overdracht van cultuur vormt het werk van de beroemde Hongaarse componisten Zoltán Kodály en Béla Bartók. Zij reisden het land door om traditionele volksmelodieën te verzamelen en die op te slaan in een archief. Hun ijver was niet alleen geïnspireerd door historische belangstelling. Zij gebruikten die opnamen voor hun eigen oorspronkelijke composities – muziekstukken die geïnspireerd waren door en geworteld waren in deze traditionele volksmuziek. Maar Kodály en Bartók gaven deze muziek een nieuwe dimensie, die leidde tot muzikale vernieuwing. Tegelijk  stimuleerde hun werk de belangstelling voor de originele volksmelodieën en inspireerde andere musici en muziekstudenten om hun nationale muzikale tradities te bestuderen en te bewaren.
Iets soortgelijks kan men waarnemen bij filmmakers. Er zijn filmers die een documentair oeuvre van grote betekenis hebben gemaakt en daardoor ons begrip van het verleden hebben verdiept. Dames en heren, de Hongaarse filmmaker en media kunstenaar Péter Forgács is zo’n man. Hij componeert films als waren het muziekcomposities  – door het gebruik van gevonden materiaal.

Forgács’ films en installaties zijn uitsluitend gemaakt uit gevonden filmmateriaal, familiefilmpjes uit het archief dat hij zelf heeft opgezet. Dit ‘Private Film and Photo Archive’ in Budapest omvat meer dan 300 uur familiefilms, het resultaat van een langdurige verzamelactiviteit. De meeste van deze films zijn afkomstig uit Hongaarse middenklasse families, die hun privéleven in deze films hebben gedocumenteerd. Zij vormen de rijke bron van Forgács’ werk. Het genre van de familiefilm richt zich bijna uitsluitend op gebeurtenissen in het persoonlijk leven van families. Als zodanig kunnen deze films redelijk saai zijn voor buitenstaanders, zoals de heer Forgács zelf meermaals benadrukt heeft. Maar hij gebruikt deze films als ingrediënten voor een groter verhaal. De verdienste van Forgács is dat hij door een ingenieuze manipulatie van het materiaal bepaalde episodes uit de twintigste eeuw terug tot leven brengt, doorgaans periodes van onderdrukking en totalitair bestuur. Forgács neemt zijn verantwoordelijkheid niet lichtvaardig op. Hij gaat zorgvuldig om met historische feiten en bij het componeren van zijn boodschap maakt hij gebruik van inzichten uit psychologie en filosofie. Hij brengt historische periodes terug door een gemanipuleerd medium, namelijk door cruciale momenten uit de geschiedenis in te voegen in de persoonlijke verhalen van de familiefilms. In die tussenvoegingen zien wij Forgács’ persoonlijke interpretatie en boodschap. Hij grijpt de toeschouwer door een pijnlijk contrast te creëren tussen de gebruikelijke familietafereeltjes en het geweld van die tijd – onderdrukking, deportatie, burgeroorlog, holocaust. Zonder deze behandeling zouden deze filmpjes waarschijnlijk een onbetekenend stoffig leven leiden op zolders of op archiefplanken.
Het is juist deze subtiele ingreep, dikwijls onopgemerkt door de gewone kijker, die de aandacht heeft getrokken van historici en mensen uit de filmwereld. Zij vragen zich af wat Forgács precies doet: wat is het effect van manipulaties zoals inzoomen, slow motion, beeld fixeren, en beelden onderbreken? Wat voor effect heeft de muziek op de toeschouwer, meestal de ‘minimal music’ gecomponeerd door Tibor Szemzö. Tenslotte kan de historicus zich afvragen of datgene wat Forgács doet met de bronnen toelaatbaar is voor een historische reconstructie. Hoe ver kan interpretatie gaan voor het fictie wordt, of melodrama, of in het ergste geval fraude? Zoveel is duidelijk: we hebben hier niet te maken met een regulier soort van documentaire film. Forgács’ films zijn in de eerste plaats geconcipieerd als kunstwerken, niet als opzettelijk historische documentaires die pretenderen een objectieve waarheid te onthullen.

Geachte heer Forgács, u heeft een opmerkelijk oeuvre tot stand gebracht. Wij zien episodes uit de Europese geschiedenis, gerevitaliseerd en gevormd als het ware door uw artistieke verbeelding en vaardigheid. Uw werk brengt periodes tot leven die gemakkelijk vergeten worden; de privélevens worden geplaatst in de stormen van de twintigste-eeuwse geschiedenis. Of dit nu het leven is van de Hongaarse middenklasse onder communistische overheersing, de Spaanse Burgeroorlog of de nazibezetting van Griekenland en Nederland. Uw werk is een genre op zichzelf. Het doet een beroep op ons historisch bewustzijn en zet aan tot nadenken. U bent zich zeer wel bewust van de betrekkelijkheid van zulke historische reconstructies: uw favoriete motto is een citaat van Wittgenstein: al wat we zien, zou ook anders kunnen zijn. 
Het is niet onze opzet geweest een Hongaars staatsburger met de Erasmusprijs te bekronen. Dat is in zekere zin toevallig. (Ik breng met een knipoog naar Wittgenstein in herinnering dat alles dat is ook anders zou kunnen zijn). Maar het is ook een gelukkige en goede zaak. Er bestaat een lange traditie van culturele betrekkingen tussen Hongarije en Nederland. Denk aan de bekende fotografen Ata Kandó en Eva Besnyö. Er zijn ten minste twee migratiestromen geweest van Hongarije naar Nederland. De eerste vond plaats in de jaren 1920, toen een groep kinderen, hoofdzakelijk meisjes, naar Nederland kwam om bij te komen van de oorlog. De tweede golf vond plaats in 1956, toen circa vijfduizend Hongaarse vluchtelingen een onderkomen vonden in Nederland. Onder hen waren mensen die een prominente rol zouden spelen in het culturele leven van ons land. Wij hechten veel belang aan onze culturele betrekkingen met het Hongaarse volk. Mijnheer Forgács, uw werk is bekend in Nederland en uw films zijn vertoond door VPRO Televisie. U heeft vele Nederlandse vrienden en collega’s met wie u heeft samengewerkt. Deze vrienden zijn nu hier om eer te betuigen aan u. U bent een uitzonderlijk kunstenaar. Ik hoop dat deze onderscheiding onze betrekkingen met u en met het Hongaarse culturele leven opnieuw zal bevestigen.

Dankwoord

Majesteit, Koninklijke Hoogheden, Excellenties, dames en heren

De vraag moet gesteld worden: waar komt dat allemaal vandaan? Dat idee van werken aan de banale herinneringen van andere mensen; zullen ze die van mijzelf vervangen? Of mijn dromen? Om de dromen van het innerlijk en het uiterlijk te vinden, het gezichtspunt, het perspectief en het veranderend zicht op het punt, het veranderend perspectief; het veranderende aspect?

Hoe en waarom herinner ik steeds weer – in verschillende lagen, samen met alle betekenissen – en wat is het motief van deze hardnekkige zoektocht naar de ruïnes en overblijfselen van wat de persoonlijke en collectieve amnesie voor ons achterlieten, de brokstukken van het geheugen? Films? Niet altijd. Het ritme, de muziek en de voortdurende waarneming, de analyse van de ruïnes ... Ruïnes van een huis, overblijfselen van een leven, en de visie van een phoenix die geen aanspraak maakt op het verlies ...; Een Oost- of Midden-Europese sage?

Ik herinner me dat mijn moeder mij, toen ik zes jaar was, erop uit stuurde om ijs te halen, als de bel te horen was van de ijskar op Attila straat, getrokken door dampende paarden. De ijsboer hakte de blokken in mijn emmertje en ik betaalde zo’n twee forint voor die zware lading. In de zomer van 1956 had ik geen idee van de elektrische ijskast, laat staan van de geschiedenis van het openlucht restaurant dat gebouwd was op de verdwenen plek van een verwoest huis ..., het huis van Dusi en Jeno, de helden van mijn latere filmserie Private Hungary, wier keurige burgermanswoning daar stond voor de oorlog – het was ongeveer 300 meter ten zuiden van mijn huis. Laat staan dat ik er enige kennis van had dat die hete zomer het Stalinistisch regime smeltende was als het ijs in mijn emmer – als ik niet naar huis gerend was... Dit was de tijd van wijlen mijn leermeester Ferenc Mérei, psycholoog, die na zes jaar binnenlandse ballingschap terug was in de politiek in de hete zomer van 1956. Vanaf 1940 bracht hij jaren door als joodse dwangarbeider. Na de oorlog, hij dacht dat zijn tijd was gekomen, zette hij het nieuwe Hongaarse opvoedingssysteem op en creëerde kinderpsychologie en sociale psychologie. Dit duurde slechts drie jaar ..., tot het Sovjet systeem hem aan de kant zette. Logischerwijze werd Mérei na de 1956 revolutie gevangen gezet met duizenden andere revolutionairen. Daar kreeg hij een beroerte; leefde langere tijd letterlijk op water en brood na een gevangenisstaking. Zijn linker zijde was tijdelijk verlamd en hij kon wekenlang niet spreken. Maar hij diagnosticeerde zichzelf, besefte wat hem mankeerde en wat zijn vooruitzichten waren en begon zichzelf te genezen. Als een herboren geest van Graaf Monte Christo ontsnapte hij in creativiteit en geheugenreconstructie.

Hij schreef vier uitstekende boeken op toiletpapier, dat was achtergehouden door andere gevangenen die solidair met hem waren. Het kostte hem drie jaar om boeken te schrijven over groeps ervaring, allusie, emotionele intelligentie, en kennis in dromen, boeken die alle later van fundamenteel belang werden voor de Hongaarse psychologie ... Hij verzamelde en analyseerde zijn gevangenisdromen, zo’n 600 in getal, schreef zijn eigen Frans-Duits-Engelse woordenlijst als een zelf-ontworpen geheugentherapie ...; en had tijd om zijn medegevangenen te verzorgen en ondersteunen.

Waarom spreek ik hier over zijn leven? Dat is omdat ik van hem geleerd heb om te zien, waar te nemen, te verzamelen, structuur aan te brengen en te verwijderen, scheppen, verbindingen leggen en het analyseren van ideeën, trauma, dromen, banaliteiten, emoties, de groep, en mijn eigen persoon. Gedurende ruim tien jaar heeft hij me geleerd hoe ik met individuele en collectieve emoties moest omgaan, met privé en publieke geschiedenis en de kunsten.

Ik zelf was rebel in veel gelukkiger tijden; begin jaren 1970 van de kunstacademie gegooid, en van alle Hongaarse universiteiten, maar niet in de gevangenis. Door deze afwijkende behandeling kon ik nieuwe wegen gaan en tegelijk Mérei’s ’privé universiteit’ ontdekken bij hem thuis en de ondergrondse avant-garde kunstbewegingen van mijn land.

Vanaf midden jaren 1970 begon ik verdrongen herinneringen te begrijpen, de dubbele tong van een regime, het onderdrukte verborgen verleden, het trauma, de hysterie van de personages – van iemands familie en stam, van een hele natie. Bovendien had ik de steun van mijn gewaardeerde directeur van het Cultureel Onderzoeksinstituut, Iván Vitányi, die hier vandaag ook is. Hij was de redding en de beschermer van een aantal politiek afwijkende onderzoekers en kunstenaars als ik, in die niet altijd zo gemakkelijke tijden. Hij maakte het mogelijk om in de schaduw van het openbare leven het Private Photo and Film Archive op te zetten.

Ik was op een of andere manier voorbestemd om verbindingen te leggen tussen gevonden filmmateriaal, bekraste beelden van de herinnering, mondelinge geschiedenis, en de kunst - Marcel Duchamp’s 'objet trouvé' – van het opnieuw contextualiseren, het opnieuw lezen van visies; en later het vinden van tijdoverbruggende structuur door minimale muziek – het vinden van muziek van beelden, dankzij Tibor Szemzö, musicus en schepper, die hier vanmorgen ook aanwezig is. Een verbinding tussen archief, de kunst, de individuele en collectieve psyche; en het verleden als heden. Geschiedenis is tegenwoordige tijd.

Goed, hier zit ik dan met de Faustiaanse Europese verhalen van een amateur filmmaker, en net als filmisch geheugen vechten ze tegen verval, tegen dood, een zoektocht naar eeuwig leven... dit zijn eindeloze geluksmomenten, waarvan filmers doorgaans de banale momenten verzamelen, en ik werd degene die de vragen had, talrijke vragen: waarom, waar? Ik zou willen zien wat er achter het plaatje schuil ging. Mijn manier om de wereld te zien is gegroeid uit vele jaren laboratoriumkunstwerk. Rondkijken zonder tranen in de ogen, zodat je de privé tijd ziet, de privé geschiedenis van mijn tijd.

De motivatie om deze gevonden, onderdrukte, vergeten verhalen te delen met mijn vrienden kwam na zes jaar archeologisch werk, dat bestond uit het verzamelen van de verborgen verhalen, films, van mijn mede-Hongaren.

Maar hoe is het zover gekomen dat ik hier vandaag sta, geëerd met de grote Erasmusprijs? Je hebt een gelukkig ogenblik nodig naast uitdaging, werk en creativiteit. Dat hebben we namelijk nodig, naast een plaats op de wereld, diepe devotie, voorouders, leermeesters, collega’s, discussie, reflectie en vragen stellen.

Dit is mijn versie van dat moment. Een jaar na de val van de Berlijnse muur, in 1989, kwam een man van weinig woorden, Albert Wulffers, naar Hongarije en in de onafhankelijke Béla Balázs Filmstudio selecteerde hij onder andere ook mijn werk voor het destijds vermaarde World Wide Video Festival. Dat vond plaats in deze prachtige stad, vlak bij dit prachtige paleis. Ik won toen een prijs die een grote verrassing voor me betekende. Ik vroeg me af hoe het kon zijn dat mijn Hongaarse verhalen leesbaar waren in het buitenland. En daarna heb ik andere vrienden ontmoet met wie ik sindsdien een diepgaande dialoog onderhoud: Cesar Messemaker, Peter Delpeut, Nico de Klerk, en Hans Maarten van den Brink.
Het is mijn geluk geweest dat ik een blijvende relatie heb kunnen opbouwen met uitstekende instellingen als het Nederlands Filmmuseum en de VPRO televisie. Dat maakte het mogelijk om mijn horizon te verbreden tot een ruimer gebied van Europese privé geschiedenissen en daar lessen uit te trekken. Dit is een plek, dit is een land, waar ik een unieke openheid gevonden heb, nieuwsgierigheid en samenwerking. Ik ga deze uitzonderlijke gelegenheid gebruiken om mijn artistieke zoektocht naar geheugen en cultuur via de kunst voort te zetten en te ondersteunen.

Dank je wel, Holland

Biografie

Péter Forgács (1950) is een mediakunstenaar en onafhankelijk filmmaker gevestigd in Boedapest. Hij begon zijn studie aan de Academie van Schone Kunsten, waar hij hetzelfde jaar werd weggestuurd. Hij studeerde af als tekenleraar in 1977. Daarna werkte hij voor het Instituut voor Volwassenenonderwijs en het Onderwijs Onderzoeksinstituut. Zijn specialiteit is de studie van de visuele, sociale, esthetische en cultureel antropologische aspecten van privé foto- en filmgeschiedenissen. Als onafhankelijk film- en videokunstenaar heeft hij sinds 1978 gewerkt in de Béla Balázs Studio. Hij doceerde aan faculteiten Film, Geschiedenis en Literatuur van verschillende universiteiten buiten Hongarije. Hij werkt ook voor het Sociaal-wetenschappelijk onderzoekscentrum van de Hongaarse Academie van Wetenschappen.
Sinds 1978 heeft Forgács meer dan dertig films gemaakt. Zijn meest bekende werk is Private Hungary, een serie films die vele prijzen heeft gewonnen en die gebaseerd is op home movies en amateur films uit de jaren ‘30 en ’40 van de vorige eeuw. Deze films documenteren het dagelijkse leven dat spoedig afgebroken zou worden door een uitzonderlijke historische traumatische ervaring die zich buiten beeld afspeelt. In 1983 richtte Forgács de Private Photo & Film Archives op in Boedapest, waarvan hij de directeur is. Dit is een unieke collectie amateur filmfragmenten die hij gebruikt voor onderzoek en voor zijn unieke reconstructie van de geschiedenis. Zijn internationale debuut maakte hij met de Bartos Family (1988), een film die de Grand Prix won op het World Wide Video Festival in Den Haag. Sindsdien heeft hij prijzen gewonnen op verschillende internationale filmfestivals – Boedapest, Lissabon, Marseille, San Francisco en Berlijn, waar hij in 1997 de Prix Europa won voor Free Fall. Zijn meest recente films zijn El Perro Negro (2005) over de Spaanse Burgeroorlog en Miss Universe (2006) over de Oostenrijkse schoonheidskoningin 1929, Lisl Goldarbeiter.
In de jaren ’90 van de vorige eeuw exposeerde Forgács zijn video installaties in de grote musea en galeries in Europa. In de jaren 2000-2002 was hij vijftien maanden in het Getty Research Institute in Los Angeles, waar hij een tentoonstelling organiseerde van zijn interactieve installatie The Danube Exodus: Rippling Currents of the River. Zijn werk is te zien in verscheidene openbare collecties in Europa en de Verenigde Staten.
Péter Forgács is 1998 onderscheiden met de Béla Balázs Filmprijs en de Knight Cross Order van de Hongaarse Republiek.

Voor een uitvoerige lijst van films, prijzen en tentoonstellingen zie www.peterforgacs.com.

november 2007

Tentoonstelling Péter Forgács in EYE 2013

De tentoonstelling 'Sluimerend Vuur' in EYE in 2013 toonde het nieuwste werk van Péter Forgács, prijswinnaar in 2007.

Péter Forgács' Found Footage

De Hongaarse filmmaker Péter Forgács ontving de Erasmusprijs in 2007 op het gebied van cultuur en historisch bewustzijn.