Oud-prijswinnaars

Joan Busquets

2011

Joan Busquets (1946) is een Catalaans architect en stedenbouwkundige. Sinds de jaren 1970 is hij met zijn kantoor BAU-Barcelona gevestigd in Barcelona. De projecten van Busquets behelzen nieuwe grootstedelijke centra, reconstructies van oude stedelijke centrumgebieden en de ontwikkeling van infrastructuur. Busquets was Hoofd Stedenbouw van de gemeente Barcelona van 1983 tot 1989 en hij speelde een grote rol in de voorbereiding voor de Olympische Spelen in 1992. Zijn werkveld strekt zich echter ver buiten de Spaanse landsgrenzen uit. Als stedenbouwkundige, ontwerper en architect, heeft Busquets een rol gespeeld bij strategische stedelijke planning in Europa, de Verenigde Staten, de Arabische wereld en China. Voorbeelden zijn te vinden in Lissabon, Marseille, Singapore, Sao Paulo en in verschillende steden in Nederland. Als docent geeft hij zijn visie en kennis door aan volgende generaties. Hij was hoogleraar Stedenbouw aan de Universiteit van Barcelona, en hij doceert nu aan de Graduate School of Design in Harvard. Joan Busquets huldigt het standpunt dat duurzame steden in de toekomst voorzien moeten zijn van gebruikersvriendelijke structuren en openbare ruimtes. Hij baseert zijn plannen op grondige historische en sociale analyse van alle aspecten van een opdracht, zodat zijn oplossingen goed passen tussen historische en andere fysieke onderdelen van de omgeving. Hij laat altijd ruimte voor aanpassingen en veranderingen en zoekt consensus onder alle belanghebbenden.

Gronden van Verlening

Artikel 2 van de statuten van de Stichting Praemium Erasmianum luidt als volgt: Het doel van de Stichting is om, binnen de culturele tradities van Europa in het algemeen, en het gedachtegoed van Erasmus in het bijzonder, de positie van de geesteswetenschappen, sociale wetenschappen en de kunsten te versterken. De nadruk ligt daarbij op verdraagzaamheid, culturele verscheidenheid en ondogmatisch, kritisch denken. De Stichting tracht dit doel te bereiken door het toekennen van prijzen en door andere middelen. Een geldprijs wordt toegekend onder de naam Erasmusprijs.

In overeenstemming met dit artikel heeft het bestuur van de Stichting Praemium Erasmianum besloten de Erasmusprijs 2011 toe te kennen aan professor Joan Busquets.

De prijs wordt toegekend aan professor Busquets op de volgende gronden:

De heer Busquets heeft een indrukwekkend, internationaal oeuvre van stedenbouwkundige projecten, het best bekend als programma’s voor de verbetering van stedelijke infrastructuur.

De heer Busquets huldigt het standpunt dat duurzame steden in de toekomst voorzien moeten zijn van gebruikersvriendelijke structuren en openbare ruimtes.

De heer Busquets is ondogmatisch en flexibel in zijn werkpraktijk: hij laat altijd ruimte voor aanpassingen en veranderingen en zoekt consensus onder alle belanghebbenden.

Hij baseert zijn plannen op grondige historische analyse van alle aspecten van een opdracht en bewerkstelligt daardoor dat zijn oplossingen goed passen tussen historische en andere fysieke onderdelen van de omgeving.

Als hoogleraar en docent betrekt de heer Busquets studenten bij zijn werk en geeft daarmee het voorbeeld aan een nieuwe generatie van stedenbouwkundigen.

Laudatio

uitgesproken op 9 november 2011 door Z.K.H. de Prins van Oranje, Regent van de Stichting Praemium Erasmianum

Majesteit, Koninklijke Hoogheden, Excellenties, dames en heren,

‘Publieke ruimte’ is een tamelijk abstract woord. Het kan slaan op een virtuele openbare ruimte op het internet, maar dat is niet wat ik hier bedoel. Wat ik bedoel is de fysieke ruimte, hier op de grond. De gebieden waar individuen, families, gemeenschappen, waar zelfs mensenmassa’s bijeenkomen, waar ze elkaar ontmoeten voor hun vrije tijd en voor hun plezier, en waar ze zich van de ene plek naar de andere begeven. De plaatsen waar mensen leven als ze niet thuis zijn: pleinen, parken, winkelcentra, spoorwegstations, enzovoorts. Het is deze openbare ruimte die een cruciale rol speelt bij het verzekeren van een kwaliteit van leven. Over de gehele wereld groeien de stedelijke gebieden steeds sneller. Steeds meer mensen zoeken werk en levensvervulling in de stad. In veel landen hebben grote metropolen en hun voorsteden zich ontwikkeld tot enorme, onleefbare conglomeraties. Grote steden hebben hun eigen dynamiek die controle door mensenhand lijkt te trotseren. Des te meer reden om die controle op te leggen door ontwerp.

Het ontwerp van de openbare ruimte bepaalt hoe individuen en groepen die ruimte ervaren en gebruiken. Hier ligt de uitdaging voor stedenbouwkundigen en architecten. Zij moeten de behoefte vervullen van de mensen aan een plek om te leven en te werken, en die combineren met een gedeelde publieke ruimte, met gemakkelijk herkenbare oriëntatiepunten waar de mensen samenkomen. Wat voor aannames liggen ten grondslag aan het planning proces van de stedenbouwkundigen? Hoe formuleren zij de behoeften van de mensen? En tenslotte, hoe ervaren mensen de resultaten? Voor het bestuur van de Stichting zijn dit cruciale vragen omdat ze raken aan het ontwerp van een samenleving die ernaar streeft een thuis te bieden aan vele, uiteenlopende groepen mensen. Daarom hebben wij als thema voor de Erasmusprijs 2011 gekozen het ontwerpen van de openbare ruimte in de stad.

Dames en heren,
Het plannen van een duurzame stad van de toekomst betekent dat je te maken krijgt met vele onbekende factoren. Het vereist visionair denken.
Wetenschappers hadden eens de angst dat aan het eind van de 19de eeuw Europese steden zouden omkomen in de paardenmest. Dat was hun milieunachtmerrie; ze waren ervan overtuigd dat de meest klemmende zorg van stedenbouwkundigen in de 20ste eeuw de vraag zou zijn wat ze met die mest moesten. Dat was toen ter tijd volkomen redelijk. Paarden hadden handel en transport eeuwenlang gedomineerd, en daar de bevolking en de economie explosief groeiden, was het logisch te verwachten dat dat een levensgroot probleem zou vormen. Natuurlijk konden ze niet de uitvinding voorzien van de verbrandingsmotor, die het probleem van de overtollige mest zou oplossen voor het zich voordeed. En natuurlijk schiep die weer zijn eigen, nieuwe problemen…

Als voorzitter van de United Nations Secretary-General’s Advisory Board on Water and Sanitation (UNSGAB), zou ik daar aan willen toevoegen dat menselijke uitwerpselen die dagen ook een groot probleem vormden in de stad. Die blijven nog steeds een probleem in een groot deel van de ontwikkelingslanden. De opbouw van een infrastructuur voor water en afvalverwerking heeft geleid tot een spectaculaire afname van sterfte- en ziektecijfers in West-Europa en Noord-Amerika. Afvalverwerking wordt nog steeds gezien als de meest belangrijke ontwikkeling in de medische geschiedenis.

Toegang tot veilige afvalverwerking en rioolwaterzuivering blijven essentiële voorwaarden voor duurzame ontwikkeling. En zij horen tegenwoordig tot de grootste uitdagingen van stadsontwikkelaars over heel de wereld.

Hedendaagse problemen wijzen de weg naar hoe we bouwen voor een betere wereld. Maar de toekomstige behoeften van steden zullen bijna zeker heel verschillend zijn van wat we vandaag aan het ontwikkelen zijn.
Succesvolle oplossingen voor de problemen van de stad moeten passen op de huidige behoeften en tegelijk voldoende flexibel zijn om technologische vooruitgang en onverwachte veranderingen in menselijk gedrag te kunnen opvangen.
Joan Clos, de executive director van UN-Habitat en vroegere burgemeester van Barcelona, illustreert dit punt vaak door te verwijzen naar het Commissioner’s plan for Manhattan van 1811. Twee eeuwen geleden hadden stedenbouwers de visie om te voorzien in 35% openbare ruimte in hun ontwerpen – en dat in een wereld zonder behoefte aan of kennis van een grote transport infrastructuur. Dat is wat ik noem Visie met een hoofdletter V. Het leert ons ook dat masterplannen niet te veel detail moeten bevatten. De planningshorizon strekt zich te ver uit om precies te kunnen weten wat er in de toekomst zal gebeuren.
Manhattan is vandaag gezegend door de visie van de Commissioner in 1811. Het contrast met de één procent openbare ruimte in de ongeplande, steeds groter wordende sloppenwijken in de ontwikkelingslanden kan niet groter zijn. Het illustreert waar de stadsontwikkelaars mee te maken hebben. We hebben allemaal bewegingsruimte nodig, ruimte voor menselijke ontwikkeling.
Dat lijkt weliswaar voor de hand te liggen, maar city planning heeft vele verschillende gezichten. Veel hangt af van de economische situatie. Je kunt verstedelijking in Zuid-Amerika en Azië niet vergelijken met urbanisatie in Europa.

In het westen is stedenbouwkunde in zwaar weer geraakt. Tot voor kort werden gedetailleerde stedelijke groeiplannen als vanzelfsprekend aangenomen. Maar door de economische crisis is stadsontwikkeling niet meer wat het geweest is. We zijn gedwongen opnieuw na te denken over hoe we de gebouwde omgeving moeten vormen en verbeteren. Dit geldt voor de wijze waarop opdrachten gegeven worden en ook voor de verhoudingen tussen de betrokkenen bij de besluitvorming over zowel architectonische als stedenbouwkundige kwesties. Te midden van die veranderingen moeten stedenbouwkundigen omzichtig opereren en zich steeds flexibel aanpassen aan nieuwe omstandigheden.
Professor Busquets, ik wil nu wat nader ingaan op uw werk en de redenen op grond waarvan onze Stichting heeft besloten u de Erasmusprijs toe te kennen.
Volgens uw opvatting moet een stadsontwikkelaar met een open instelling aan een project werken, niet met een vastomlijnd idee. Voor u is dit niet een politiek correcte stelling, maar een principekwestie. Stadsontwerpers worden vaak ertoe verleid een planningsproces te beginnen met het zich voorstellen van een eindproduct – hoe zou een treinstation of een stadsplein er idealiter moeten uitzien. Zulke plannen worden gemakkelijk gefrustreerd door nieuwe ontwikkelingen, door onvoorziene praktische struikelblokken en door gebrek aan geld.
Uw benadering is anders. U koestert de diepgewortelde overtuiging dat het stedelijk ontwerpproces on-dogmatisch moet zijn en ruimte moet laten voor toekomstige aanpassingen. Men kan en moet geen rigide lange termijnplannen plannen maken voor een project dat in de tussentijd waarschijnlijk onvoorspelbare veranderingen zal ondergaan. Naar de mening van onze Stichting is het deze on-dogmatische benadering van stadsplanning en architectuur die een voorbeeld kan vormen en de discipline vooruit helpt.

Dames en heren,
Typerend voor professor Busquets is dat hij zijn werk baseert op een diepgaande historische analyse en studie van de omgeving in de ruimste zin des woords. Het eerste stadium van elk project is een grondige analyse van alle aspecten: historisch, sociologisch en morfologisch, de rol van water, straatpatronen en technische factoren. Professor Busquets noemt dit proces het ‘lezen’ van de stad in verschillende lagen. Wanneer eenmaal elk aspect van een stedenbouwkundig project is geanalyseerd, dan herinterpreteert hij de opdracht. Wat anderen een stedelijk ontwerp zouden noemen ziet professor Busquets het liefst als het ontwerpen van een programma voor de stad.
Het is ook dit aspect van zijn werk – een hoog niveau van analyse van verschillende lagen van de stad – dat hij deelt met zijn studenten. Dat zie je in zijn publicaties. Een voorbeeld is het boek over New Orleans, getiteld New Orleans, strategies for a city in soft land. De workshops met studenten aan Harvard werden gehouden vóór de orkaan Katrina. Het boek is afgemaakt na de ramp en kreeg daardoor extra relevantie.

Ik zou nog veel meer kunnen zeggen over professor Busquets’ methode van het opzetten van programma’s voor steden. Naast onderzoek zijn twee andere basale aspecten van zijn werk strategie en actie. Een typisch voorbeeld is het bemiddelen tussen partijen die bij een project betrokken zijn. Door te luisteren naar de visie van de mensen zelf over een ruimte en door hen een reeks van verschillende oplossingen voor te houden slaagt hij erin zich te verzekeren van hun betrokkenheid bij het ontwerpproces.
Bij voorbeeld: In 2007 vroeg de Amsterdamse woningcorporatie Stadgenoot aan professor Busquets om een bestaand gebied bij Amstelstation en Wibautstraat – de Parooldriehoek – te verbeteren en te verdichten door er nieuwe appartementen, kantoren en andere faciliteiten aan toe te voegen. Hij hield verschillende workshops waar hij verscheidene ideeën presenteerde en een heel scala aan mogelijke oplossingen. Door daar de klant en andere belangengroepen bij te betrekken startte hij een vorm van interactie die van cruciaal belang bleek te zijn in het bereiken van consensus. Door flexibel te zijn en zijn plannen steeds weer aan te passen gaf hij alle betrokken partijen het gevoel dat hun mening gehoord werd en dat daar rekening mee werd gehouden. Hij was ervan overtuigd dat op deze manier de discussie tussen klant en stakeholders uiteindelijk resultaat zou opleveren. Hij paste een soortgelijke benadering toe bij een nieuw ontwerp voor het oude stadscentrum van Toulouse. Professor Busquets’ idee om een achthoek te creëren met groene verbindingen tussen pleinen en boulevards werd een punt van discussie ruim voor de plannen werden uitgevoerd.

Professor Busquets, uw werk is begonnen met projecten in Barcelona. Deze projecten zijn exemplarisch geworden voor uw werk en hebben international sterk de aandacht getrokken. Ondanks de bescheiden omvang van uw bureau en staf, is uw oeuvre gestaag gegroeid met opdrachten over de gehele wereld. U bent betrokken geweest bij zulke uiteenlopende projecten als nieuwe grootstedelijke centra, reconstructies van oude en verwaarloosde stadscentra, ontwikkelingen van infrastructuur, waterfronten, havengebieden, woondistricten en individuele gebouwen – te veel om hier allemaal te noemen.
Ook in Nederland heeft u vele projecten gedaan. Uw benadering van stadsplanning wordt hier al jaren gewaardeerd. U heeft gewerkt in Den Haag, Rotterdam, Delft, Helmond en andere Nederlandse steden. Nu kunnen we uw werk zien in Europa, de Verenigde Staten en China en we gaan ervan uit dat we daar de komende jaren nog meer van zullen zien. Uw werk spreekt niet alleen professionals aan, collega’s die uw consistente benadering bewonderen, maar ook niet-professionals, gewone mensen uit het grote publiek. Uw presentaties laten zien hoe stedelijke ruimtes gestructureerd zijn, hoe deze kunnen worden gemanipuleerd, en hoe deze interventies – soms klein, soms aanzienlijk – een grote verandering ten goede teweeg kunnen brengen.
Professor Busquets, laat mij u feliciteren met de Erasmusprijs. Wilt u naar voren komen zodat ik u kan bekleden met de versierselen van de Prijs. Dank u.

     

foto John Thuring

Dankwoord

Majesteit, Koninklijke Hoogheden, waarde gasten en vrienden,

Mijn eerste woorden zijn woorden van opgetogenheid en dankbaarheid voor het ontvangen van de Erasmusprijs en voor deze schitterende viering. Ik wil het belang onderstrepen van stedenbouw voor het bepalen van de toekomst van onze samenlevingen en de invloed ervan op de hedendaagse cultuur.

Tijden van belangrijke transformatie in onze maatschappij

Toen we de 21ste eeuw met enthousiasme verwelkomden, werden we ons ervan bewust dat we een aantal nieuwe problemen hadden onderschat. Vooruitgang is niet oneindig en we moeten verspilling vermijden.
We moeten rigorous zijn in onze benadering van vooruitgang en onnodig alarm vermijden, zoals aangeduid met de term ‘risico-samenleving’. Onze samenleving heeft belangrijke uitdagingen het hoofd geboden in het verleden, zoals hygiëne in de 19de eeuw, en gezondheidszorg en moderne stedenbouw in de 20ste eeuw. Dus waarom zouden we niet met succes de huidige problemen te boven komen?
Er bestaat de neiging om beschaving te verwarren met burgerzin. Het eerste begrip verandert constant, beschavingen komen op en vergaan. Het tweede begrip heeft echter te maken met onze individuele gesteldheid, en op dit punt speelt het stadse leven een rol. Je zou kunnen stellen dat menselijke wezens ophouden wilden te zijn door middel van het collectieve leven dat zich voornamelijk in de stad afspeelt.

Stedenbouwkunde is een kwestie van ideeën en het is een creatief proces

Het ontwerpen van de stad is een sociale en politieke zaak, maar het is ook een zaak van cultuur en esthetiek, en het wordt voortgebracht door projecten en strategieën.
De dagelijke discussie over functionele waarden en de noodzakelijke doelmatigheid van de stad wordt gezien als een rationele vraag, maar er zijn ook kunstzinnige waarden. Aldo Rossi vergelijkt het logische en het analoge denken. Het eerste is gemakkelijk in woorden te omschrijven, terwijl het laatste een reeks beelden nodig heeft om over te komen, zoals affectieve voorwerpen en de herinnering die verbonden is aan een plaats. Iedereen herkent analogieën, zelfs al weet men niet hoe daar uitdrukking aan te geven. Beide vormen van denken zijn echter cruciaal als je ideeën formuleert die een project definiëren.
Stedenbouw en stedelijke architectuur hebben daardoor een creatieve component die tegelijk inventief en cultureel is, in staat de verbinding te maken met geschiedenis en geografie. Daar voelen we ons soms ongemakkelijk bij, maar we moeten die link kunnen beredeneren en uitleggen.
Dit creatieve proces wordt gemarkeerd door een belangrijke ontwikkeling in werktechnieken die onze mogelijkheden vergroten, maar het is ook van belang te erkennen dat er kunstvormen en disciplines zijn die ons helpen die analoge component beter te omschrijven.
Schilderkunst biedt nieuwe interpretaties van de stad die beslissingen kunnen inspireren in stedelijke ontwerp projecten, zoals in onze bijdrage aan de reorganisatie van het spoor en de centrale stedelijke ruimtes in Delft, door een herinterpretatie van het ‘Gezicht op Delft’ , het fascinerende schilderij van Johannes Vermeer uit 1660. In dit prachtige stadsgezicht wordt alles heel realistisch weergegeven door het effect van licht en wolken. Dit geeft een opvallend effect van symmetrie van de stad, waarin eenvoudige elementen ineens heel monumentaal worden. In het huidige project dient die sterke combinatie van schaalverhoudingen ertoe een centrale openbare ruimte te creëren door de belangrijkste infrastructurele werken die verankerd zijn in de grond. Op soortgelijke wijze toont El Greco’s interessante voorstelling in ‘Plattegrond en Gezicht op Toledo’ uit 1608 in detail de synthese tussen voorstelling en werkelijkheid. Daarmee laat hij de mogelijkheid zien om objecten en contekst te combineren, net zoals in de rehabilitatie strategie die vier eeuwen laten zou worden toegepast op het historische centrum van Toledo.
Die houding wordt ook aangeduid door Colin Rowe in Collage City, waarin hij oppert dat we een verzoening tot stand brengen tussen dit spanningsveld: enerzijds architectonisch object en anderzijds stedelijke structuur, vertegenwoordigd door twee steeds conflicterende tradities: de radicale positie die de stad ziet als theater van de profetie en de behoudende die de stad ziet als theater van de herinnering.

3-Lopende zaken
De huidige stad staat open naar het omringend gebied. Stadsmuren verdwenen in de 19de eeuw en de ringwegen die de stad scheidden van het onbebouwde gebied verdwijnen geleidelijk. Vandaag de dag moeten infrastructuren de slagaders van de stedelijke ruimte zijn, die het gebied samenweven en daarmee een andere relatie creëren tussen stad en land. Natuurlijke ruimte wordt een nieuwe component van stedelijke ruimte. We moeten de grenzen tussen ecologie en stedenbouw opruimen, want alleen op deze manier kunnen we duurzame steden maken.
Mobiliteit verandert met nieuwe vormen van communicatie, hoewel er geen afname is in het volume van beweging. Stadsbewoners van vandaag willen op elk moment hun eigen vorm van communicatie kunnen kiezen.
De architect die geïnteresseerd is in de stad ziet het als zijn taak om actie te nemen. Dat mondt uit in het stadsontwerp project, met zijn vele schalen en varianten. Veel mensen zullen overtuigd moeten worden bij zulke plannenmakerij; het is dan ook cruciaal dat de gedachten daarover gedeeld worden anders is mislukking vrijwel zeker.

4-Vooruit denken
Stedenbouwkunde geeft antwoorden op de huidige maatschappij, maar we hebben behoefte aan een vernieuwende, utopische benadering. Op dit punt zou de discussie tussen Erasmus en More relevant kunnen zijn.
De meest vermaarde werken van Erasmus, de Lof der Zotheid, en Thomas More, Utopia, kun je zien in de contekst van deze gezamenlijke benadering, ondanks verschillen in inhoud en ambitie. Hun werken zijn ontstaan in de overgang van Renaissance als een artistieke en culturele trend naar de Reformatie, met de ermee gepaard gaande sociale en politieke transformatie.
In Utopia is de stadsaanleg regelmatig, voor zover geografie dat toelaat, en elk huis heeft zijn tuintje met fruitbomen en planten. Het eiland is een federatie van steden en land is het voornaamste bezit in Utopia; het staat voor een belangrijke sociale waarde in het Europa van die tijd. De bewoners verhuisden elke tien jaar om grotere sociale mobiliteit te geven aan deze complexe opzet.
Erasmus leek dit soort ‘communisme’ in More’s opvatting niet te delen en voelde zich niet erg aangetrokken door zo’n strict gereguleerde samenleving, die riekte naar een klooster, zoals hij in zijn verhandeling schreef. Ook in zijn Lof der Zotheid kritiseerde hij de ideale wijze mens uit Utopia als iemand die volledig onmenselijk was en niet in staat tot menselijke gevoelens. Dan kunnen wij twee interessante radicale posities zien, vernieuwend en ideaal, om te verzoenen…

5-Enkele biografische opmerkingen
Barcelona is mijn vaste referentiepunt geweest tijdens mijn opleiding en oefening – eerst aan de LUB – in het ontwikkelen van nieuwe vormen van interpretatie van het fenomeen stad en het begrijpen van de enorme impact daarvan op de leefomstandigheden van de bevolking. Daarom dank ik mijn docenten en collega’s voor hun gestrengheid en vrijgevigheid. Het was een rijke periode die nog steeds inspireert in veel van mijn overwegingen van vandaag de dag. Barcelona is een stad met briljante episodes zoals Art Nouveau, met Gaudí en Domenech, en stedelijke projecen zoals de Eixample, ontworpen door Cerdà voor de stadsuitbreiding in de 19de eeuw, maar ook met perioden van grijze groei en speculatie tijdens de dictatuur na de Spaanse Burgeroorlog. Deze processen begrijpen was een vruchtbare beginperiode.
Ik wil ook de democratische leiders bij de Gemeente Barcelona danken die geloofden in onze mogelijkheden en ons vroegen met werk en ideeën bij te dragen aan de wederopbouw van buurten in de stad, de stad te openen naar de zee en er een levendige stedelijke economie van te maken. Barcelona is zonder twijfel een referentiepunt geworden voor goede stedenbouwkundige praktijk in Europa. Dit toont aan dat ontwerpen van een stad mogelijk is en moet werken op verschillende niveaus tegelijk. Daarbij moeten verschillende stakeholders betrokken worden wil het doeltreffend zijn.
Vervolgens had de gelegenheid om deel te nemen in Europa’s multiculturele discussie in de jaren ’90 een bepalende invloed. In het bijzonder was daar het contrast tussen Nederlandse werkelijkheid en vormen van interventie, zoals in Rotterdam, Den Haag, Amsterdam, Delft en Helmond. Daar bleek het mogelijk dat bepaalde vormen van strategische nationale planning samengingen met meer liberale, open processen in de ontwikkeling van steden en buurten. Het debat tussen stadsproject en vernieuwende architectuur, tussen publieke ruimte en landschap is de moeite waard geweest. De stedelijke traditie van figuren als Berlage en Van Eesteren is nog steeds zeer aanwezig.
Het contrast met andere culturen, zoals die van Italië, Frankrijk, Portugal, Duitsland of Zwitserland heeft geleid tot meer specifieke plannen voor elke plaatselijke werkelijkheid.
In het laatste decennium heeft mijn plaats in Cambridge bij de Graduate School of Design mij in staat gesteld nieuwe werkelijkheden met nieuwe ogen te bekijken: het contrast tussen de Nieuwe Wereld van Amerika en de Oude Wereld landen, China en India, en hun stedenbouwkundige uitdagingen. Zoals Cerdà zei met betrekking tot Barcelona: een goede methode om een stad te ontwerpen moet rekening houden met de dichtstbijzijnde werkelijkheid, maar die moet ook in zich opnemen wat in andere plaatsen gebeurt en dat allemaal interpreteren in overeenstemming met de vooruitgangscultuur van de tijd.
Bij al die opkomende realiteiten herontdekken we vragen waar de stedenbouwkundige dogma’s van de vorige eeuw overheen hebben gekeken, zoals de verdiensten van hoge dichtheid, de rijkdom van gemengd gebruik of de potentiële waarde van openbaar land in stedenbouwkundige strategieën. Die vragen hebben betrekking op zeer diverse voorwaarden voor de definitie van stedelijke vorm en de ontwikkeling daarvan. Wellicht kan de westerse cultuur zijn voordeel doen met die ervaringen in de nabije toekomst.
6-Misschien hebben we een nieuwe humanistische, kosmopolitische houding nodig...
Steden beantwoorden niet langer aan het idee van een ‘machine’, dat het stadsontwerp in de 20ste eeuw inspireerde. Vandaag de dag zijn zij processen die snel van vorm veranderen. Anders dan machines die bewegen zijn het eerder biologische metaforen.
Op dit punt zijn de figuur van Edgar Morin en het complex denken behulpzaam bij het ontcijferen en benaderen van complexe structuren, in processen waar hun ontwikkeling de regels verandert en zo nieuwe mutatiepatronen creëert. Uiteindelijk helpt ons dat een nieuwe eenvoud te bereiken in het plannen van het onbekende…
De vorm van de stad is het resultaat van talrijke ontwikkelingen, maar de configuratie van ‘ruimte’, zowel bebouwd als open, is ongetwijfeld de sleutel tot het juiste functioneren van de stad. Het is gemakkelijk het verleden te begrijpen en het heden te interpreteren; de toekomst ontwerpen vergt dat we beide doen. Maar de toekomst heeft geen vorm; die moet gecreëerd worden, en de vormgeving ervan is een van de moeilijkste en meest fascinerende taken die er zijn.
Dit lijkt opnieuw te vragen om een open, humanistische opstelling die de nauwe dogma’s van het verleden vermijdt; ook hier is het debat tussen More en Erasmus weer zeer relevant; laten we intelligent gebruik maken van die erfenis.

Video over Joan Busquets

VideoBekijk video

Schets ZKZ Rotterdam van Joan Busquets

Een schets voor het project ZKZ te Rotterdam van de Spaanse architect Joan Busquets, prijswinnaar in 2011.