Dankwoord

I am open and I am willing
To be hopeless would seem so strange
It dishonors those who go before us
So lift me up to the light of change”

                    Holly Near, 2006

De Erasmusprijs is een eer waarvan ik niet had gedacht dat die me ooit te beurt zou vallen. Het is een groot genoegen, en ook een enorme verantwoordelijkheid tegenover Zijne Majesteit Koning Willem-Alexander, het wetenschappelijk comité van de Stichting Praemium Erasmianum, directeur Geertjan de Vugt, de medewerkers – met name Lauren Maxwell –, mijn echtgenoot Rusten en mijn broer en schoonzuster Rick en Roberta, mijn familie – al dan niet biologisch – en mijn tegendraadse vrienden, studenten, docenten en collega’s.

Ik bevind me in het kielzog van de eerdere ontvangers van de Erasmusprijs. Ik herinner me het koloniale bloedbad en de gedeeltelijke wederopstanding daarna dat Amitav Ghosh vorig jaar voor ons opriep en dobber in de zee rond de Indonesische Banda-eilanden. De geur van nootmuskaat herinnert me aan hun geschiedenis. Het is mijn taak de reactiviteit te cultiveren, het vermogen te reageren en aanwezig te zijn in alles wat onze tijd en onze situatie van ons eist. 

Afgelopen zomer ben ik bij het citroenen plukken gestruikeld en op straat op mijn hoofd gevallen. Ik was even de kluts kwijt en dacht dat ik auditie deed voor een rol in een thriller. Zulke films, voor zover ik ze heb gezien, beginnen vaak met een vrouw die in een plas van haar eigen bloed ligt. Maar nee, ik kwam in een maandenlange rondedans van evenwichtsstoornissen terecht waarbij artsen me adviseerden gevaarlijke bezigheden, zoals denken, zoveel mogelijk te beperken. 

We leven in onevenwichtige tijden en ik ben daarvan een metafoor. Boven de tinnitus in mijn hoofd uit hoorde ik Hannah Arendts vermaning ‘Altijd zelf blijven denken!’, maar ik dreef rond in verplichte gedachteloosheid. Ik was gedesoriënteerd, niet alleen in de wereld van Trump, maar ook in alle labyrinten van autoritarisme, genocide, oorlog en wereldwijde ecocide. Menselijke en meer-dan-menselijke wezens spartelen machteloos rond in onontwarbare, zich voortdurend verdichtende rampspoed. 

Voor een katholiek, afvallig of niet, is een metafoor nooit alleen maar een metafoor, het is vleesgeworden betekenis. We leven in een opgeschudde, geschokte wereld, we zijn zelf opgeschud en uit ons evenwicht. We weten niet wat we moeten denken, wat we moeten doen, hoe we ertoe kunnen doen. We maken ons zorgen, maar we weten nauwelijks hoe we voor deze verscheurde werelden kunnen zorgen. In een tijd waarin herinneringen bij het grofvuil worden gezet en geschiedenis wordt geminacht, lopen we het gevaar ons vermogen kwijt te raken om goed met elkaar te leven en te sterven. Altijd zelf blijven denken!

Ik gebruik het beeld van touwfiguren graag bij het denken, handelen en herinneren. Touwfiguren maken gaat over samen erven, samen nieuwe figuren maken en samen belangrijke patronen doorgeven. Dit spel kan niet alleen worden gespeeld. Het gaat om geven en nemen, bewegen en stilhouden. Dat heb ik van Isabelle Stengers geleerd. Touwfiguren maken, denkende technologie, is een filosofisch, politiek en persoonlijk idee. 

Vanavond, hier in de culturele hoofdstad van Nederland, maak ik touwfiguren om gedachten te ontwikkelen over een vernieuwd kosmopolitisme zonder ziekteverwekkend racistisch en masculinistisch kapitalisme, kolonialisme, nationalisme, cultureel-religieuze zelfgenoegzaamheid en intolerantie of – en dat is de kern van dit alles – menselijk exceptionalisme. Menselijk exceptionalisme, dat uitgaat van een scheiding tussen natuur en cultuur, gaat ervan uit dat de hele wereld ten dienste van de mens staat. Zonder ironie – ik spreek hier onder de bescherming van de Nederlandse renaissancehumanist Desiderius Erasmus, die de basis heeft gelegd voor het kritisch bestuderen van het verleden. Hij, die zich als denker buiten de orthodoxe grenzen waagde, herinnert ons aan datgene wat onze wereld nodig heeft voor een nog steeds mogelijke toekomst. 

Ik herinner me dat Nederland lang een van de meest kosmopolitische landen ter wereld is geweest en volkeren en culturen heeft samengebracht in een geschiedenis van scheepvaart, financiën, kolonisatie en dekolonisatie, een thuis voor autochtoon en immigrant, ecologisch en stedenbouwkundig design en meer. Volkeren van overal ter wereld beschouwen Nederland als hun thuis. De Verenigde Staten en Californië, waar ik vandaan kom, zijn ook problematische kosmopolitische werelden. Geweld is nooit ver weg. Menselijk en meer-dan-menselijk, het is van vitaal belang dat we samen patronen weven om bij elkaar te kunnen blijven horen, om elkaar te kunnen toebehoren.

Ik heb me verbonden met het kosmopolitisme van de soorten, ook de moeizame natuurculturele politiek na het teloorgaan van het menselijk exceptionalisme. Voor Hannah Arendt is denken ‘de geest leren op bezoek te gaan’, dat wil zeggen het vermogen cultiveren om goed te leven en te sterven in een wereld die fundamenteel anders is dan het zelf. Ik vergeef Arendt en Erasmus hun vastberaden humanisme omdat ze ons leren te denken met, en binnen, onderlinge verschillen. 

In mijn land wordt het historisch bewustzijn helaas onderdrukt, en misschien is dat wel in alle naties het geval die zijn gebouwd op verovering en kolonisatie, dwangarbeid en ongelijke arbeid, eliminatie en vervanging van inheemse volkeren, planten en dieren. Een cruciale voorwaarde voor een nieuw kosmopolitisme is dat we rekening houden met die voorgeschiedenis. En dat is precies de reden waarom serieus, ongekuist geschiedenisonderwijs in de Verenigde Staten bij ons autoritaire regime onder vuur ligt. De curricula worden vernietigd en docenten worden tot de orde geroepen als ze het ongenoegen van de fascisten durven op te wekken. Daarom worden talloze boeken uit schoolbibliotheken verwijderd, vooral boeken over vrouwen, mensen van kleur en lgbtq+. Daarom wordt er radicaal bezuinigd en daarom worden beroepskrachten vervangen door dociele functionarissen. Daarom wordt de programmering in natuurreservaten en musea gecensureerd: dat alles maakt de inheemse aanwezigheid voelbaar, het maakt begrip voor de vloek van de slavernij en de gevolgen daarvan onontkoombaar, het maakt de vernietiging van de biodiversiteit ondraaglijk. Daarom worden publieke media en op feiten gestoeld geschiedenisonderwijs kapotbezuinigd. 

Zoals Rebecca Hall schrijft in Wake: The Hidden History of Women-Led Slave Revolts: ‘Zwarte en inheemse geschiedenis, die vol staat met verhalen over verzet, wordt uitgewist om controle te houden over het narratief.’ Het uitwissen van de geschiedenis, van kennis van en zorg voor de omgeving – en het overschrijven daarvan met antropocentrisch patriottisme – is een voorwaarde voor autoritaire dominantie. 

Ik denk ook aan een cyborg-apocalyps van gecensureerde data, waaronder websites over het klimaat, gezondheid en biodiversiteit. Door die gegevens weer boven water te halen redden technologisch onderlegde activisten belangrijke informatie. Ondertussen hebben energieslurpende AI-datacenters het herinneren en denken van ons (welke ‘ons’?) overgenomen, tegen een onbegrijpelijk hoge ecologische, sociale, monetaire en spirituele prijs. Toch ben ik voorstander van een bevrijdend gebruik van cyborgtechnologie en ontelbare daden van wetenschappelijk verzet. We weigeren te vergeten wat we moeten weten om een bewoonbare geschiedenis mogelijk te maken. 

Die cyborg-apocalyps voert ons naar de Russische drones die dood en verderf zaaien in Oekraïne. De levensreddende mogelijkheden van drones, bijvoorbeeld voor ecologisch herstel, worden overspoeld door een cyborg-bewapeningswedloop. Maar de herinnering aan gruweldaden geeft ons ook de kracht om bestaande bondgenootschappen nieuw leven in te blazen. Ik houd vast aan mijn oude slogan: ‘Cyborgs for Earthly Survival.’

Al die geopolitieke herinneringen brengen me terug naar Israël-Palestina, waar een eindeloze stroom aan Amerikaanse wapens rampspoed mogelijk maken. Het vernietigen van Gaza, een van de oudste geürbaniseerde centra ter wereld, heeft veel teweeggebracht, niet in de laatste plaats het tot stof reduceren van de geschiedenis van een land en zijn menselijke en meer-dan-menselijke inwoners. Genocide, ecocide en het onmogelijk maken van een toekomst, daaruit bestaat het project van oorlog en bezetting dat al wat leeft from the river to the sea in gevaar brengt. Maar het land zal zijn geesten nooit vergeten. 

Mijn rondtollende herinneringen breien een speculatieve toekomst voor Groot-Mexico met zijn diverse mensen, insecten, zoogdieren, planten en vogels. Bij alle aandacht voor Gaza, Oekraïne, Zuid-Soedan enzovoort dreigt Latijns Amerika bijna te worden vergeten. Maar de Amerika’s zijn mijn thuis en ik wil u uitnodigen samen met mij hun geschiedenis op te roepen. 

Wat zou er zijn gebeurd als Mexico in 1858 de oorlog tegen de Verenigde Staten had gewonnen? Het stellen van die vraag is misschien wel cruciaal voor het slopen van overdrachtelijke en fysieke muren voor mensen en meer-dan-mensen. Bij het Verdrag van Guadelupe moest Hidalgo het enorme noordelijke Spaans Mexico opgeven, ook het tegenwoordige Californië. In plaats van die geschiedenis te erkennen, hebben de Verenigde Staten geprobeerd het Mexicaanse en inheemse verleden en heden uit te wissen en al wat leeft te beletten de overeengekomen grens over te steken. Zoals de Texaanse politicoloog José Angel Gurriérez het formuleert: ‘We zijn hier niet uit eigen vrije wil naartoe getrokken. De Verenigde Staten kwamen naar ons toe, in een reeks opeenvolgende invasies.’ Dat kunnen de migrerende vlinders, javelinas, jaguars, bedreigde Sonora-antilopen, bezoekende Tohono Oo’dham en Hispano’s van New Mexico hem nazeggen. 

         Stel dat ik vandaag de dag in Groot-Mexico zou wonen en niet in de Verenigde Staten, waar gemaskerde bendes in overheidsdienst die inwoners met een bruine huid in detentiekampen laten verdwijnen. Zou ik dan uitgezet dreigen te worden als een ongewenste ‘ander’ die de banen en de sociale zekerheid afpak van degenen die er recht op hebben? Natuurlijk wordt er voortdurend geprotesteerd tegen dat uitwissen en gevangennemen, en het multiraciale pro-migrantenactivisme van nu wordt gevoed door het verlangen naar een vrij, gedeeld land.

         De Texaans-Mexicaans-Californische lesbische feministische theoreticus en dichter Gloria Anzaldúa herinnerde zich dat grensgebieden vruchtbare streken zijn voor ontmoeting en uitwisseling tussen allerhande levende wezens, zelfs tussen de kaken van de gemilitariseerde, gesteriliseerde harde grenzen die wederzijdse bezoeken levensgevaarlijk maken. Migranten zijn afhankelijk van een gezonde habitat langs hun hele route. Vanuit een drone gezien zijn die streken een gefragmenteerd maanlandschap. Hongerige zangvogels of dorstige vluchtelingen hebben daar geen schijn van kans. Maar ik herinner me dat de drieduizend kilometer lange grensstreek tussen Mexico en de Verenigde Staten nog steeds een van de meest diverse natuurculturele werelden van het continent is, waar de mogelijkheid om bij elkaar ‘op bezoek te gaan’ en samen goed te leven en te sterven op het spel staat, niet alleen voor mensen, maar ook voor meer dan zevenhonderd verschillende soorten vogels, zoogdieren en ongewervelde dieren. Het wordt hoog tijd om die grond weer in bezit te nemen.

Anzaldúa wist dat verhalen onmisbaar zijn voor bloei. Ik wil dus besluiten met een verhaal uit het feministische wetenschapsonderzoek, mijn academische thuis, en het tijdschrift Tupuya: Latin American Science, Technology and Society. De naam is afgeleid van het Quechua-woord ‘tapuy’ – bevragen, onderzoeken.

Dat woord herinnert me aan mijn vriendin en collega Sandra Harding, die dit jaar is overleden. Sandra was voorstander van iets wat ze ‘sterke objectiviteit’ noemde; het vergaren van kennis gebaseerd op een minder bevooroordeelde, ruimere praktijk. Als medeoprichter van het tijdschrift werkte ze samen met wetenschappers als Tania Pérez uit Colombia en Leandro Rodriguez uit Chili om dekoloniale wetenschapsonderzoeken op te zetten, en zo bracht ze lezers overal ter wereld in contact met lang genegeerde Latijns-Amerikaanse manieren van benaderen. .

Wij proberen herinneringen vast te houden en vinden een nieuw evenwicht. We vallen uit onze zekerheden en gaan bij elkaar op bezoek. We leren weer samen te denken, als mensen en niet-mensen. We moeten bereid zijn te vallen en erop vertrouwen dat we worden opgevangen in een web van wederzijds denken en zorgen. We zoeken genezing voor onze hersenschudding.

Zoals de hondentraining volgens de methode Schutzhund ons leert: Hard rennen, hard bijten!

Als ik me Lof der Zotheid uit 1511 goed herinner, met zijn bijtende satire over de morele wanen van de mens, dan denk ik dat Erasmus het hier wel mee eens zou zijn geweest.